‘Ik ben best bereid om dingen voor je te doen, maar dat gaat me een beetje te ver’

Utrecht, Anthoniedijk, 15 april 2013, 21.00 uur

Waarom ik daar liep, op de Anthoniedijk, was terug te voeren op een jas die ik vorige herfst had gekocht. Een modern ding, met flappen die de boven- en onderkant van de rits bedekken. Omdat ik in vrijwel niets modern ben en ik vond dat het maar eens tijd werd, besteedde ik er een modern bedrag aan, iets waar ik normaal gesproken te belazerd voor ben; ik moet even buiten mezelf getreden zijn in die winkel.

Een tussenjasje, te koud voor de winter; te warm voor de zomer. Ik had het na aanschaf maar een paar keer kunnen dragen en nu verheugde ik me er al een maand op om dat opnieuw te doen. Maar het bleef aanhoudend bitter koud in de stad, eind maart, begin april. En ineens, dit weekend, na een nachtelijk uitgevochten meteorologische blitzkrieg, was het twintig graden. Een zondags tochtje door het ommeland moest ik al na een kilometer zwetend onderbreken; het kekke jasje in de fietstas.  Ik zag het dragen ervan met een droef voorgevoel over de zomer heen getild worden. Op z’n hoogst post modernistisch, zou ik zijn.

Maar ik was strijdvaardig, deze avond. Ik zocht en vond een reden om de straat op te gaan in de ideale, twaalf graden tellende avondschemer. Hoe vaker je een kledingstuk draagt, hoe goedkoper het per keer wordt, nietwaar. Lopend bracht ik een contract dat ik ondertekend had naar een adres op een kwartiertje gaans.

‘Ik ben best bereid om dingen voor je te doen, maar dat gaat me een beetje te ver,’ zei een moeder met zo’n zestig kilo overgewicht tegen haar dochtertje met een roze jurkje. Het meisje trok haar schoenen aan op de stoep. Verderop stonden jongeren om een auto waar harde muziek uit klonk.

Ik wist niet wat de dochter van haar moeder gevraagd had. Iets dat te ver ging, kennelijk. De uitspraak deed me denken aan eerder op de avond, toen ik bij mijn ex was, om te overleggen over mijn zoons verjaardag, de dag daarop. Ik had, volgens de afspraak, de ingrediënten voor de schooltraktatie gekocht en zij zou de dadeltaart bakken. Daar was ze ook mee bezig. Stuifmeel en chocolade vegen in haar gezicht, waarin de vermoeidheid van te veel verjaardag beslommeringen stond te lezen. Het aanrecht was een grillig landschap van kommen en mixers.

Eigenlijk had ik haar moeten helpen. Even koken voor de kinderen of de keuken opruimen. Maar ik had geen zin. Ja, ik was best bereid om dingen voor haar te doen, zoals ook de zwaarlijvige moeder op de Anthoniedijk haar dochter verzekerde. Maar kennelijk was ik tegelijkertijd helemaal niet bereid om dingen voor haar te doen.

Ik schatte het kind op de stoep een jaar of negen. Net zo oud als mijn zoon, nu nog een paar uur. Maar hij lag op dit tijdstip al te slapen, dus waren het geen uren, die hem scheidden van zijn verjaardag, maar niet meer dan  een vingerknip. De tijd zou pas weer gaan lopen bij het openen van zijn ogen. En dan was hij het. Tien. Als een winter die direct overgaat in zomer.

 

‘Bij al het leed dat hij had, kreeg hij ook nog de hik’

Ik was een kwartier te vroeg bij Swaak. Ze waren nog niet open. De medewerker die ik herkende van de vorige keer dat ik er was, kwam tegelijk met mij aanfietsen. Op mijn verzuchting dat ik me dan maar vijftien minuten moest zien te vermaken, antwoordde hij dat dat voor hem ook gold. En dat hij daartoe sigaretten had meegenomen. Ik zou op eigen kracht iets moeten verzinnen.

Ik liep over de Choorstraat richting de Steenweg, in een slentergang waarvan ik me afvroeg waarom ik die niet wat vaker inzet. De zaterdag ochtend was koel maar zonnig. De herfst stond in de coulissen te wachten op het juiste moment om op te komen.

Een koppel van ergens in de vijftig zette zich juist in beweging na voor een etalage te hebben stilgestaan. De man droeg een rode broek en had een gebruind hoofd. De vrouw was een heel stuk kleiner, droeg een grote zonnebril met daarboven een zonwerende klep. Beiden keken een andere kant uit en tastten naar elkanders hand.

C.C.S. Crone

Na wat grijpen in het luchtledige, zonder in de gaten te hebben dat ze niet eens bij elkaar in de buurt grepen, kreeg de vrouw de ingeving om toch maar even te kijken. Ze pakte haar mans hand.

Hij was inmiddels begonnen met praten. ‘Bij al het leed dat hij had,’ zei hij. Ik kon aan zijn stem niet goed horen of er een afkeurend of een medelevend vervolg op die eerste woorden zou komen. ‘… kreeg hij ook nog de hik’, ging hij verder.

Inmiddels had ik besloten een schoenlepel te gaan kopen. Een voorgenomen aanschaf die al een tijd op het krijtbord in de keuken stond.

En ook drong het tot me door waarom ik de intonatie van de man niet vond passen bij de woorden die hij sprak.

Hij citeerde.

Op een blinde muur op de Donkere gaard staat een fragment uit een verhaal van C.C.S. Crone. Daar had de man het over. Onderweg naar de schoenmaker probeerde ik te bedenken hoe de tekst werkelijk ging. Want de man met de rode broek, met het gebruinde gezicht en het grijze, sluike haar dat hij naar achteren droeg, die de hand vasthield van een vrouwtje met de zonnebril en klep, zat wel in de buurt, maar de precieze formulering ging anders. Er schuilt een betweter in mij, die nu met de tekst aan de haal ging. ‘Op de Donkere Gaard stond hij stil. Nu had hij ook nog de hik gekregen.’ Dat was de versie waar ik na intensief peinzen op uit kwam. En dan inderdaad iets met ellende, maar dan niet het woord ‘ellende’.

Zo moest het dan maar zijn. Ik liet me bij de schoenmaker de twee modellen schoenlepels tonen. De dure, tien euro, met het lange handvat. Of de kleine, voor nog geen vijf. Deze net niet herfstige zaterdagochtend, met dit prettige, kleine kwartiertje dat mij in de schoot geworpen was, verdiende geen beknibbelen op uitgaven. Ik koos de lange lepel.

Op de weg terug naar Swaak liep ik een klein stukje om. Het was de Lichte Gaard, niet de Donkere, moest ik vaststellen toen ik bij de muur met de Crone zinnen aankwam. En van de rest van het citaat had ik ook weinig meer terecht gebracht dan de man die tastte naar de hand van zijn vrouw.

Ik las de heerlijke zinnen: ‘Later stond hij in de Lichte Gaard naar de sterren te kijken. Nu had hij bij zijn verdriet nog de hik gekregen.’

Toen ik thuis kwam deed ik mijn schoenen uit en meteen weer aan, met een gemak dat me tevreden stemde. Toen liep ik naar mijn boekenkast, op zoek naar De Schuiftrompet, van C.C.S. Crone.

‘Hij moet niet vaak gevochten hebben, hij moet goed met zijn familie om kunnen gaan en hij moet een goede baan hebben.’

Ik hoorde een meisje achter me deze woorden zeggen toen ik de supermarkt verliet. Ik heb niet omgekeken. Voor het mysterie. De zin liet ik door mijn hoofd spelen; hij kaatste in z’n volle lengte heen en weer. Dat moest ook wel, want ik had geen pen en papier bij me. Gedurende het ritje op de fiets, van de winkel tot mijn huis, repeteerde ik de drievuldigheid waaraan deze nieuwe geliefde zou moeten voldoen.

Na het eisenpakket van de ongeziene dame zo’n vijftig keer voor me uit gezongen te hebben, drong het tot me door: ik zou zeker bij haar in de smaak vallen. Jazeker, jij stem zonder lijf, louter trilling in de lucht; je hebt het hier over mij! Als ik niet zo zeker wist dat je zojuist, net als ik, de winkel had verlaten, dan zou ik nu meteen omgekeerd zijn. Ik was naar je op zoek gegaan tussen de schappen en had me aan je voeten geworpen. Stop met zoeken. Ik ben je man.

Ik voldoe op alle fronten. Om met het vechten te beginnen: ‘niet vaak’ is in mijn geval een understatement. Mijn knokkels zijn ongeschonden. Mijn neusbeen ook. Niemand ziet zo snel een gevecht aankomen als ik. En niemand weet zich zo snel uit de voeten te maken.

Behalve als ik droom. In mijn slaap ben ik wreder dan Atilla de Hun. Werkelijk, ik steek vijanden met lange vleesmessen in het hart. Ik tuig ze af met loden staven. Soms word ik wakker en ben ik verward en geshockeerd door het geweld dat de neuronen in mijn hoofd me voorgeschoteld hebben. Maar dat telt niet, toch, meisje?

Voorbehoud twee, dan. Familie. Kan ik uitstekend mee omgaan. Ja, hoor, altijd gezellig. Geen wanklank; ik zou niets kunnen bedenken. Of het moet zijn dat ik rond kerstmis altijd zo vreemd gedeprimeerd raak. Dat ik soms hun verjaardagen vergeet, heel vreemd. Maar daar hoef je je geen zorgen over te maken, dat zit allemaal veilig onderhuids, jij onbekende vrouw.

Ten derde, een goede baan. Laat ik je geruststellen. Ik heb de beste baan die er bestaat. Opstaan: zelf weten. Geldt ook voor de opdrachten die ik wel of niet aanneem. Uitdagend werk; steeds maar het hoofd boven water zien te houden in de woeste golven van mijn inspiratie. Bovendien, altijd thuis om voor de kinderen te zorgen, klusjes in huis, de loodgieter binnen laten… Ja, oké, soms wat lichte paniek als de bankpas even niet meer werkt. Misschien incidenteel een weekje wat minder vaak uit eten of sporadisch een maaltijd overslaan. Het komt wel goed, schat. Het komt altijd weer goed.

Ik ben je gedroomde prins. Tot we hoogbejaard zijn blijven we samen. Ik heb maar een paar puntjes: geen lipstick, geen peuken, geen stopwoordjes, geen voice of holland, geen smetvrees, nestdrang, achterdocht, neukangst, kletspraat, plaat zeggen in plaats van gezicht, giechel in plaats van mond, geen stadionverbod, geen verwachtingen, geen trouwplannen, geen moeilijke gesprekken of slaapverwekkende verhalen.

Ik kom je halen. Ik slinger je over mijn schouder.

Ik ben van jou.

‘Ze had 1000 euro, had ze zelf gespaard – tenminste, 900 euro, en de rest kreeg ze van haar ouders.’

Breda, Willemstraat, 30 september 2011, 15.10 uur. 

Ik zou me graag voordoen als een ander soort persoon, maar ik moet eerlijk zijn. Welk nut heeft schrijven anders, als je geen eerlijkheid kunt opbrengen? Hier gaat het om: ik word helemaal kriegel als anderen om me heen aan het praten zijn. Dat wil zeggen: als ik zelf niet aan dat gesprek deelneem. Best een vreemde eigenschap, eigenlijk.

En het word steeds erger. Omringende mensen in de trein, die gemoedelijk hun conversatie plegen: ik sta op en zoek een andere plek. Soms wel een paar keer per reis. Twee jongens die het hebben over een studiegenoot. Dat hij niet spoort. En dat alle klasgenoten dat ook vinden. Laatst had hij op Facebook gezet: ‘ik ga me even aftrekken onder de douche’. Ik bedoel, gást. Als je het nog een beetje grappig zegt, oké… maar dit? We zaten allemaal zo van, kerel, flikker toch op.

Eigenlijk is het een toneelstuk op zich. Ik zou ervan genieten als ik er een entreebewijs á 9,50 euro had betaald. Maar het kaartje dat ik gekocht had kostte 16,50 en de deal was dat ik voor dat bedrag naar Breda en weer terug mocht. De dialoog die ik er gratis bij kreeg was te veel voor me. Ik pakte mijn spullen en ging op het balkon zitten, waar ik bij elke wissel door elkaar geschud werd en waar het gegil van de wielen op de rails me de rillingen gaf.

Dat was de heenweg. Terug dan. Twee vrouwen vlak voor me. De een praat over de keuken, die vernieuwd moet worden. Eindeloos de afwegingen tegenover elkaar zetten. Als ze dat kastje daar hangt, tja, dan wordt de ruimte achterin weer krap. En die voorstellen van de woningbouwvereniging, dank je de koekoek, dan hebben ze aan haar toch echt de verkeerde. Kom op zeg, daar gaat ze absoluut niet mee akkoord.

En daartussenin blonk mijn bezoek aan Breda. De zon zat als gegoten en in het park lag iedereen onderuitgezakt op het gras. Twee jongens op de stoep: ik krijg maar één zin van hun gesprek mee. ‘Ze had 1000 euro, had ze zelf gespaard, tenminste, 900 euro, en de rest kreeg ze van haar ouders.’

Dat is genoeg. Meer hoef ik niet te weten. Het kan over een vakantie gaan of over een computer. Ze kunnen het belachelijk vinden, de verwennerij van die ouders. Of juist fijn voor die meid; ze verdient het. Deze soundbite geeft me de kans om er zelf mee aan de haal te gaan. Ik neem hem mee. Breda uit, helemaal naar Utrecht.

Gezellig op schoot. Je bent beter af bij mij, zinnetje, geloof me. Het zou een beschamend gesprek worden, tussen die jongens. Onzinnig en doelloos. Mensen kunnen niet praten, makker. Dat is het. Ze kunnen het gewoon niet.

‘Niet hun zijn fucked, wij zijn ook fucked.’

Amsterdam, Amstel station, 10 sptember, 13.35 uur. 

Twee jongens lopen me tegemoet. Beide een tikje gezet, beide zwart, half lang haar; geverfd volgens mij. Ze zijn jong. Eentje draagt een baard. Ook zwart. Ik vraag me af of hij die eveneens geverfd heeft. Waarom vraag ik me dat af? Wat heb ik ermee te maken?

Nu, dit is waar ik me mee vermaak. Mijn leven is een voortdurende ‘wat als?’ vertelling. Ik ben dagelijks bezig met mogelijk drama destilleren uit de mensen in het straatbeeld. Deze twee jongens bijvoorbeeld. Ze hebben elkaar gevonden, omdat ze op elkaar lijken. Of ze waren al bevriend en zijn vervolgens op elkaar gaan lijken.

Spijkerbroek, wit T-shirt, bleek gelaat en een uitdrukking op hun gezicht die zegt: niemand maakt me wat. Maar zoals dat gaat, de ene is net wat meer ‘zo eentje’ dan de ander. Het scheelt verdomd weinig, maar het is onmiskenbaar. Is dat iets dat een rol speelt in hun vriendschap, vraag ik me af. Zal het na verloop van tijd tussen hen in gaan staan?

Moet je maar eens opletten: een groepje koorballen. Achterover vallend kapsel, mond uitsloverig half open, onderuitgezakt op hun terrasstoeltjes. Maar ze zijn nooit allemaal precies even koorballerig. Die gradaties, zijn ze zich daar zelf van bewust? Is de een simpelweg bereid verder te gaan dan de ander? Of is het een kwestie van allemaal even veel je best doen, maar dat het niet iedereen even goed lukt?

Ik kan van mezelf niet inschatten tot welke groep ik behoor. Ben ik er ook ‘zo eentje’, van welke categorie dan ook? Geen idee. Hetzelfde principe treedt wellicht in werking wanneer mensen zeggen dat mijn zoons zo op me lijken. Ik zie het niet. Hou maar eens een foto tegen je neus. En dan proberen te zeggen wat erop staat.

Ik had een keer hardloopkleren gekregen, van een vriend die er toch niets mee deed. Zo’n professioneel, flubberig kort broekje, en ook van die leggings, voor als het koud is. Ik had ze wel zien lopen, die lui in het bos, met zo’n overbodig dure outfit. Dat waren ‘anderen’. Niet zoals ik. Vliegensvlug maakte ik die indeling, als ze me tegemoet liepen. ‘Anders’. Punt.

Toen ik voor het eerst met de strakke broek ging hardlopen (‘joggen’ kon ik het nu echt niet meer noemen) besefte ik met een schok dat ik nu was toegetreden tot het kamp van de anderen. Ik bezag mezelf door het oog van degenen die, net als ik tot voor kort, een joggingbroek droegen. Ik hoorde niet meer bij hen. Terwijl ik nog precies dezelfde persoon was als de dag ervoor.

‘Niet hun zijn fucked,’ zei de jongen met het baardje, terwijl ze door de schuifdeuren de stationshal in liepen, ‘wij zijn ook fucked.’ Hun en wij. Ik zal wel niet de enige op de wereld zijn die de mensheid in kampen heeft opgedeeld.

Waarschijnlijk zou de jongen zijn eigen ‘fucked zijn’ het liefst willen afschuiven op die ‘hun’. Want ‘hun’ lopen sowieso de hele tijd al te fucken. Het feit dat wij fucked zijn, ligt aan hun gefuck.

Ik ben blij met al het gefuck in deze wereld. Want zonder fuck is er geen drama, geen kunst, geen nieuws, geen gesprek mogelijk. En waar zou ik mijn dagen dan nog mee moeten vullen?

‘I said I miss you… once!’

Utrecht, Janskerkhof, 26 augustus 2011, 21.44 uur. 

Ze stond op het Janskerkhof met een telefoon aan haar oor en het hengsel van een tas diagonaal over haar schouder. Het licht van de straatlantaarns reflecteerde op de glimmende klinkers. Ze was duidelijk geagiteerd. Haar hoofd schoot naar voren toen ze de woorden uit stootte. ‘I said I miss you… once!

’Ik had het druk met het verkeer, op het kruispunt vlak voor café Broers. Er zijn voetgangers die niet door hebben dat ze op het fietspad lopen, en automobilisten waar ik me van afvraag of ze zich die regel ‘recht door gaat voor’ echt nog kunnen herinneren van hun theorie examen. Vooral omdat daar niet helemaal duidelijk is wie rechtdoor gaat en wie afzwenkt. Want eigenlijk doen we beiden van allebei een beetje.

Pas toen de verkeerssituatie wat overzichtelijker werd, kreeg ik de kans om de zin op me in te laten werken. Ik haalde een studente in, wiens fiets rammelde en kraakte, met doorschietende pedalen en een breed uitzwabberend achterspatbord. Zou het meisje met de telefoon zich moeten hebben verantwoorden voor het feit dat ze de jongen miste? En dat ze toen maar zei dat ze het één keert gezegd had. Één miezerig keertje. Sorry hoor, als we daar ook al niet meer tegen kunnen…

De ander missen, een niet te onderschatten wapen in het constante duel dat ‘verkering’ heet. Sommigen interpreteren het als een compliment, anderen als een verwijt. En zelfs in het eerste geval kan het je van je paard prikken als een lange lans. Word je immers niet geacht de ander precies even veel terug te missen?

Missen is in vrijwel alle gevallen raken.‘Tu me manque,’ zeggen de Fransen. Je ontbreekt, zou ik het vertalen, met mijn HAVO Frans. Maar de man die al veertig jaar gewend is om alles op te vatten als een aanval, wentelt zich in de steenkolen en maakt ervan: er mankeert iets aan je.

Vriendinnen hebben me vaak zat te kennen gegeven dat ze me misten, ook al was ik voortdurend in de buurt. Fysiek, dan.

Zodra een vrouw zegt dat ze me mist, beland ik en een onoverzichtelijke verkeerssituatie. Ik kan nooit voorspellen of rechtdoor zal gaan of afzwenken. Misschien moet ik me toch eens aan een theorie examen wagen.

‘Ik heb minder geslapen dan jou, geloof mij nou maar.’

Utrecht, Loeff Berchmakerstraat, 30 augustus, 2011, 14.35 uur. 

Ik fietste naar huis zonder echt te weten wat ik daar wilde doen. Zoals wel vaker nam ik me voor om dan in ieder geval de computer uit te laten. De twee uur die ik had stuk te slaan zouden anders voorbij zijn zonder dat ik enig idee zou hebben waarmee ik ze gevuld had. Maar drie omwentelingen van mijn trappers later bedacht ik toch een mailtje dat ik moest schrijven en een website met informatie die ik nog moest bezoeken.

Ik was moe. Ik zou naar bed kunnen gaan. Maar er waren nog blogs te schrijven en zinnige vervolgplannen te maken voor mijn vele projecten (die ik meestal in een kwieke bui heb bedacht en die vervolgens stil komen te liggen). Er waren telefoongesprekken te voeren en rommelige kamers op te ruimen. Dat zijn activiteiten die ik altijd voor me uitschuif tot een tijdstip dat ik niet moe zal zijn. Die momenten zijn er vaak zat, maar dan ben ik zo fit dat ik fabelachtige nieuwe ideeën krijg. En die moeten dan op stel en sprong uitgevoerd worden.

Drie jongens liepen me tegemoet in de Loeff Berchmakerstraat. Glimmende jassen, bontkragen, kapsels die microscopisch precies opgeschoren waren.‘Ik heb minder geslapen dan jou, geloof mij nou maar’, zei er eentje, terwijl hij een ander een stomp tegen zijn schouder gaf. Ik reed op een sukkelgangetje, maar ik was niettemin al snel te ver richting Breedstraat verdwenen om te kunnen horen of de ander daar tegenin ging.

Ik zou ook wel iemand willen bellen, nu. En dan alleen maar zeggen hoe lang geslapen heb vannacht. En dan weer ophangen. Waar komt die drang vandaan om anderen te moeten vertellen over de korte nachtrust? Trouwens ook over extreem lange slaapsessies, maar dat is voornamelijk bedoeld om aan te geven dat het echt wel nodig was, want o, wat hadden we de nachten daarvoor toch weinig geslapen…

Ik zette mijn afgesloofde gezicht op, zodat ik niemand hoefde te vertellen hoe erg ik eraan toe was. Ze zouden het zo wel zien. Ze zouden wel twee keer nadenken voordat ze me aanspraken voor een vuurtje, een euro, of een vriendendienst.

Bij thuiskomst nam ik eerst een douche van 25 minuten.Toen liet ik me op de bank vallen. En deed niets. Ongeveer twee minuten. Ik stond op. Zette de computer aan. En ik keek of er misschien email was.

‘Ik zal je zeggen: ik ga daar zitten… oogkleppen op…’

Utrecht, St. Laurensdreef, 29 juni om 10.15 uur. 

Ik was in Overvecht beland. Op een bedrijventerrein. Op een donderdagochtend. Buiten regende het.Ik laat me soms inhuren als trainingacteur. Het soort opdrachten dat werkloze toneelspelers aannemen. Ik ben geen werkloze toneelspeler. Helemaal geen toneelspeler. Maar in zo’n rollenspel een arrogante gesprekspartner acteren vind ik amusant om te doen. Bovendien kan ik van de verdiensten minstens een week rondkomen.

De training heette ‘vrienden maken’. De werknemers moesten leren hoe ze in een zakelijk gesprek de ander voor zich innamen. ‘Op de relatie zitten’ noemden ze dat.

En dat alles diende dus te gebeuren in Overvecht.

Ik had de eerste twee uur niets te doen, behalve de introductie bijwonen. Het oefenen met de rollenspelen kwam pas aan het eind van de ochtend. Ik en de andere acteur zaten achterin het lokaal op een tafel. We keken stoffig voor ons uit. Ik kan me nog bijbaantjes herinneren uit mijn studententijd. Soms was gedurende een kwartiertje de lopende band stuk en had ik niets anders te doen had dan wachten tot het werd opgelost. Toen vond ik dat altijd dat een lekkere meevaller.Tegenwoordig moet op deze momenten van nietsdoen alle zeilen bijzetten om niet voluit te gaan schreeuwen. Zo’n leidinggevende die zijn praatje afsteekt, en elke zin volpropt met minstens vijf afkortingen waar ik de betekenis niet van ken; als ik niet zo vredelievend was geweest, zou ik hem het liefst neerslaan. Ik werk liever een hele ochtend aan een lopende band, dan een uur te moeten luisteren naar dat managersgedrein.

Om de boel niet te laten escaleren stond ik op en liep naar de wc. Een beproefde methode, die stamde uit mijn middelbare schooltijd. Weg uit het benauwde lokaal, vol mensen die eigenlijk allemaal liever ergens anders zouden zijn.

Ik liep langs de kantine en passeerde twee meisjes die flesjes ontbijtdrank vasthielden. Ze zaten dicht bij elkaar aan een van de tafeltjes. ‘Ik zal je zeggen: ik ga daar zitten… oogkleppen op…’ zei de ene. Daarna dacht ik nog iets op te vangen als: ‘volledig in mijn eigen wereld…’

Ja, dat was het. Iedereen in zijn eigen wereld. Er zijn twee werelden; eentje waarin mensen fysiek verblijven en de andere waarin ze met hun gedachten zijn. Ik bleef lang op de wc zitten. Hoewel ik eigenlijk niet daar was, maar bovenzintuiglijk al achter de computer om dit stukje te tikken. Zoals ik nu niet achter de computer ben, maar weer terug in dat wc hokje om terug te halen hoe het ook alweer was. Vrij omslachtig gedoe eigenlijk, allemaal.

Toen ik weer terug kwam in het lokaal, was de trainer iets aan het uitleggen. Het ging over cosmetisch luisteren. Dat betekent: wel alle uiterlijke kenmerken vertonen van een luisterend persoon, maar intussen bedenken hoe je het gesprek een kant op kunt duwen die jij interessanter vindt. Zijn gehoor deed op geen enkele manier zijn best om zelfs maar half cosmetisch te luisteren.

Oogkleppen op. Volledig in hun eigen wereld.

‘In dat team zou ik dan wat meer, tja, precies wat Bart al zegt…’

Utrecht, Hopakker, 21 mei 2011, 16.33 uur.

Als je wandelt zie je meer. Het ommeland trekt trager aan je voorbij en als je iets opvalt, kun je binnen een halve tel stil staan om het rustig te bekijken. Op de fiets moet je eerst afremmen en daarna de te ver doorgeschoten afstand weer terug afleggen. Vaak is dat vooruitzicht voldoende om het maar helemaal te laten. Veel blijft ongezien, tijdens fietstochtjes.

Behalve als ik met mijn kinderen ben, natuurlijk. Die hebben geen moeite met stoppen en terug gaan, als er een kleurig elastiekje op straat ligt. ‘Nee, we rijden door,’ zeg ik meestal streng. Waarna er zo’n gedrein en gemekker losbreekt dat ik, om er vanaf te wezen, toch maar toegeef. Mokkend leun ik op mijn stuur terwijl ze de – inmiddels – 200 meter terug rijden om het vieze ding op te rapen.

Ik heb voldoende opvoedkundige principes. Soms voel ik me een buitenstaander die verwonderd toekijkt hoe ik ze te grabbel gooi.

Misschien had ik mezelf afgelopen zaterdag moeten toestaan om terug te lopen. Had me waarschijnlijk een prachtig citaat opgeleverd. De eerste zin die ik hoorde, verstond ik maar half. ‘Gewoon een beetje borrelen,’ was een fragment dat ik dacht op te vangen. Ik was nog te ver weg van de drie jongens die voor de voordeur zaten om het goed te horen.

Twee van hen zaten op stoelen die ze op de stoep hadden gezet, eentje op een scooter. Die laatste was aan het woord. Hij zei: ‘In dat team zou ik wat meer…’ Ik spitste mijn oren terwijl ik langs liep. Ik vertraagde mijn pas. Maar op dat moment vertraagde er ook iets in zijn spreken. Hij weifelde en liet een stilte vallen. ‘Tja…’ ging hij verder, ‘precies wat Bart al zegt…’

Nu was het aan mij. Ging ik werkelijk stil staan om de rest van de zin te horen? Wat had Bart al gezegd? En welke rol zou de jongen op de scooter in dat team gaan vervullen? Prangende vragen. Maar afluisteren is onbeleefd.

Ik had kunnen knielen en veinzen dat ik mijn veter strikte. Ik had ook gewoon terug kunnen lopen. Opnieuw langs de jongens die daar zaten, met flesjes bier in de brandende zon. Dat is toch niet verboden? Over de stoep lopen en dan terugkeren. Het zou best kunnen dat ik thuis iets was vergeten….

Maar ik liep verder. Het kind in mij, dat dreinde en mekkerde, heb ik genegeerd. Jammer genoeg ben ik strenger voor mezelf dan voor mijn zoons.

En nu moet ik het doen met speculatie. Ik denk zeker te weten dat er een of andere verwaande opmerking tussen zijn studentenlippen vandaan zou komen. Dat hij in dat team wat meer… tja, zoals Bart al zei, een leidinggévende rol zou gaan vervullen. Dat hij daar, hoe moet je het omschrijven, de lijnen uit ging zetten.

Een zin als een kleurig elastiekje. Maar ik heb hem laten liggen.

‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’

Utrecht, Vismarkt, 4 april, 16.37 uur.

In Utrecht heb je de Oudegracht. Het zou met gemak de bekendste straat van de stad kunnen zijn, ware het niet dat slimme middenstanders op de Neude en het Vredenburg zich in 1935 hebben ingekocht in het bordspel waarbij vergissingen van de bank in uw voordeel uitvallen.

Eigenlijk heb ik het altijd een beetje vreemd gevonden dat de makers van dat spel het vanzelfsprekend vonden dat je dat geld dus houdt. Ik zou het meteen teruggeven. Dat klinkt misschien nogal braaf, maar ik heb een keer vierhonderd gulden verbrast in de binnenstad, nadat een verzekeraar het om onverklaarbare redenen op mijn rekening had gestort. Natuurlijk werd mij daarna vriendelijk gevraagd het bedrag terug te geven. Ik heb drie maanden lang moeten leven als Van Gogh om aan dat verzoek te kunnen voldoen.

Generaties monopoly spelers zullen jarenlang onder curatele gesteld zijn, omdat ze van dat vergissingsgeld vrolijk huizen en hotels op de Neude en het Vredenburg hadden laten bouwen.

Ik heb persoonlijk een zwak voor de Oudegracht. ’s Nachts drijven de lichtjes in het rimpelige water. Je fietsbel rinkelt vrolijk terwijl je over de straatstenen rijdt, die losjes onder je wielen kobbelen.

Bovendien is het een van de weinige straten waarvan ik de naam weet. Ik woon al twintig jaar in deze stad, maar nog steeds moet ik elk adres opzoeken op de plattegrond. Ik verslijt ongeveer een stadskaart per jaar. Maar de Oudegracht gaat nog net. Hoewel de Utrechtse gewoonte om het moeilijker te maken dan het is ook hier heeft toegeslagen.

Om een voorbeeld van die gewoonte te geven: vanaf het station tot het Wilhelminapark loopt een lange straat. Lekker makkelijk, zou je denken. Een ijkpunt, waar je je toe kunt verhouden als je de weg zoekt. Maar niet in Utrecht. Die ene, lange straat heet achtereenvolgens (ik sla mijn versleten kaart voorzichtig open, opdat hij niet scheurt): Smakkelaarsveld, Vredenburg, Lange Viestraat, Potterstraat, Jansstraat, Janskerkhof, Nobelstraat, Nachtegaalstraat en Reigerstraat.

De Oudegracht lijkt een makkie, maar ter hoogte van de Dom heet hij heel even het Wed. En honderd meter verder, als de weg omhoog gaat richting het stadhuis, hangt een straatnaambord met ‘Vismarkt’. Daarna wordt het weer net zo gemakkelijk Oudegracht.

Over deze Vismarkt fiets ik vaak. Behalve de afgelopen maanden, omdat ze bezig zijn met iets in de grond. Je moet afstappen en met de fiets aan de hand door een smalle doorgang, die ook door het langzaam voort sjokkende winkelpubliek wordt gebruikt.

Dus om die Vismarkt te omzeilen ga ik door het winkelgebied, waar je niet mag fietsen. Ik houd er niet van de verkeersregels te overtreden. Vreemde eigenschap, misschien. Bij dat racen door de winkelstraat verwacht ik elk moment politiepetten uit de mensenmassa te zien opdoemen. Dus de laatste keer besloot ik toch die nauwe doorgang te nemen. Ik had geen haast, hoewel dat vreemd genoeg bijna nooit een reden is om rustig aan te doen. Dit keer wel. Je moet niet al je handelen proberen te begrijpen.

De Vismarkt gaat lichtjes bergafwaarts, richting het Wed. Het prijsgeven van gratis verkregen snelheid kost me gewoonlijk vrij veel moeite. Ik jaag voetgangers en fietsers de stuipen op het lijf omdat ik weiger af te remmen. Maar nu was van geen snelheid sprake en ik sjokte in de rij winkelend publiek met de fiets aan mijn hand. Een jongen, begin twintig, liep in tegenovergestelde richting. We raakten elkaar bijna tijdens het passeren. Hij praatte in een mobiele telefoon.

‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’

Hij klonk begaan met de man die hij aan de lijn had. Hij lachte en schudde zijn hoofd. Zijn haardos schudde mee. Alles aan hem was jong. En nog sympathiek ook. Inlevend. Een combinatie die ik nooit van de grond heb weten te tillen, toen het aan de orde was.

Toen ik de hekwerken om de opengewerkte straat voorbij was, fietste ik verder. Een man, die dacht dat het een voetgangersgebied was, maakte zich breed en liep expres in mijn richting. Ik ontweek hem en besteedde de volgende paar minuten aan de formulering waarmee ik hem op de coolste manier zou duidelijk maken dat híj het bij het verkeerde eind had.

‘Hé man, waar zie jij een bord waarop staat dat je hier niet mag fietsen?’

‘Jij komt zeker van buiten, vriend? Ga stoer doen in je eigen dorp.’

‘Heb jij je verkeersdiploma wel gehaald, in de zesde?’

Erg bijdehand ben ik nooit geweest. Hoeft ook niet. Liever ben ik als de jongen met het mobieltje. ‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’ Dat was eigenlijk de beste reactie geweest. Op zo’n beetje alles, bedenk ik me nu.