‘Ze had 1000 euro, had ze zelf gespaard – tenminste, 900 euro, en de rest kreeg ze van haar ouders.’

Breda, Willemstraat, 30 september 2011, 15.10 uur. 

Ik zou me graag voordoen als een ander soort persoon, maar ik moet eerlijk zijn. Welk nut heeft schrijven anders, als je geen eerlijkheid kunt opbrengen? Hier gaat het om: ik word helemaal kriegel als anderen om me heen aan het praten zijn. Dat wil zeggen: als ik zelf niet aan dat gesprek deelneem. Best een vreemde eigenschap, eigenlijk.

En het word steeds erger. Omringende mensen in de trein, die gemoedelijk hun conversatie plegen: ik sta op en zoek een andere plek. Soms wel een paar keer per reis. Twee jongens die het hebben over een studiegenoot. Dat hij niet spoort. En dat alle klasgenoten dat ook vinden. Laatst had hij op Facebook gezet: ‘ik ga me even aftrekken onder de douche’. Ik bedoel, gást. Als je het nog een beetje grappig zegt, oké… maar dit? We zaten allemaal zo van, kerel, flikker toch op.

Eigenlijk is het een toneelstuk op zich. Ik zou ervan genieten als ik er een entreebewijs á 9,50 euro had betaald. Maar het kaartje dat ik gekocht had kostte 16,50 en de deal was dat ik voor dat bedrag naar Breda en weer terug mocht. De dialoog die ik er gratis bij kreeg was te veel voor me. Ik pakte mijn spullen en ging op het balkon zitten, waar ik bij elke wissel door elkaar geschud werd en waar het gegil van de wielen op de rails me de rillingen gaf.

Dat was de heenweg. Terug dan. Twee vrouwen vlak voor me. De een praat over de keuken, die vernieuwd moet worden. Eindeloos de afwegingen tegenover elkaar zetten. Als ze dat kastje daar hangt, tja, dan wordt de ruimte achterin weer krap. En die voorstellen van de woningbouwvereniging, dank je de koekoek, dan hebben ze aan haar toch echt de verkeerde. Kom op zeg, daar gaat ze absoluut niet mee akkoord.

En daartussenin blonk mijn bezoek aan Breda. De zon zat als gegoten en in het park lag iedereen onderuitgezakt op het gras. Twee jongens op de stoep: ik krijg maar één zin van hun gesprek mee. ‘Ze had 1000 euro, had ze zelf gespaard, tenminste, 900 euro, en de rest kreeg ze van haar ouders.’

Dat is genoeg. Meer hoef ik niet te weten. Het kan over een vakantie gaan of over een computer. Ze kunnen het belachelijk vinden, de verwennerij van die ouders. Of juist fijn voor die meid; ze verdient het. Deze soundbite geeft me de kans om er zelf mee aan de haal te gaan. Ik neem hem mee. Breda uit, helemaal naar Utrecht.

Gezellig op schoot. Je bent beter af bij mij, zinnetje, geloof me. Het zou een beschamend gesprek worden, tussen die jongens. Onzinnig en doelloos. Mensen kunnen niet praten, makker. Dat is het. Ze kunnen het gewoon niet.

‘Niet hun zijn fucked, wij zijn ook fucked.’

Amsterdam, Amstel station, 10 sptember, 13.35 uur. 

Twee jongens lopen me tegemoet. Beide een tikje gezet, beide zwart, half lang haar; geverfd volgens mij. Ze zijn jong. Eentje draagt een baard. Ook zwart. Ik vraag me af of hij die eveneens geverfd heeft. Waarom vraag ik me dat af? Wat heb ik ermee te maken?

Nu, dit is waar ik me mee vermaak. Mijn leven is een voortdurende ‘wat als?’ vertelling. Ik ben dagelijks bezig met mogelijk drama destilleren uit de mensen in het straatbeeld. Deze twee jongens bijvoorbeeld. Ze hebben elkaar gevonden, omdat ze op elkaar lijken. Of ze waren al bevriend en zijn vervolgens op elkaar gaan lijken.

Spijkerbroek, wit T-shirt, bleek gelaat en een uitdrukking op hun gezicht die zegt: niemand maakt me wat. Maar zoals dat gaat, de ene is net wat meer ‘zo eentje’ dan de ander. Het scheelt verdomd weinig, maar het is onmiskenbaar. Is dat iets dat een rol speelt in hun vriendschap, vraag ik me af. Zal het na verloop van tijd tussen hen in gaan staan?

Moet je maar eens opletten: een groepje koorballen. Achterover vallend kapsel, mond uitsloverig half open, onderuitgezakt op hun terrasstoeltjes. Maar ze zijn nooit allemaal precies even koorballerig. Die gradaties, zijn ze zich daar zelf van bewust? Is de een simpelweg bereid verder te gaan dan de ander? Of is het een kwestie van allemaal even veel je best doen, maar dat het niet iedereen even goed lukt?

Ik kan van mezelf niet inschatten tot welke groep ik behoor. Ben ik er ook ‘zo eentje’, van welke categorie dan ook? Geen idee. Hetzelfde principe treedt wellicht in werking wanneer mensen zeggen dat mijn zoons zo op me lijken. Ik zie het niet. Hou maar eens een foto tegen je neus. En dan proberen te zeggen wat erop staat.

Ik had een keer hardloopkleren gekregen, van een vriend die er toch niets mee deed. Zo’n professioneel, flubberig kort broekje, en ook van die leggings, voor als het koud is. Ik had ze wel zien lopen, die lui in het bos, met zo’n overbodig dure outfit. Dat waren ‘anderen’. Niet zoals ik. Vliegensvlug maakte ik die indeling, als ze me tegemoet liepen. ‘Anders’. Punt.

Toen ik voor het eerst met de strakke broek ging hardlopen (‘joggen’ kon ik het nu echt niet meer noemen) besefte ik met een schok dat ik nu was toegetreden tot het kamp van de anderen. Ik bezag mezelf door het oog van degenen die, net als ik tot voor kort, een joggingbroek droegen. Ik hoorde niet meer bij hen. Terwijl ik nog precies dezelfde persoon was als de dag ervoor.

‘Niet hun zijn fucked,’ zei de jongen met het baardje, terwijl ze door de schuifdeuren de stationshal in liepen, ‘wij zijn ook fucked.’ Hun en wij. Ik zal wel niet de enige op de wereld zijn die de mensheid in kampen heeft opgedeeld.

Waarschijnlijk zou de jongen zijn eigen ‘fucked zijn’ het liefst willen afschuiven op die ‘hun’. Want ‘hun’ lopen sowieso de hele tijd al te fucken. Het feit dat wij fucked zijn, ligt aan hun gefuck.

Ik ben blij met al het gefuck in deze wereld. Want zonder fuck is er geen drama, geen kunst, geen nieuws, geen gesprek mogelijk. En waar zou ik mijn dagen dan nog mee moeten vullen?

‘I said I miss you… once!’

Utrecht, Janskerkhof, 26 augustus 2011, 21.44 uur. 

Ze stond op het Janskerkhof met een telefoon aan haar oor en het hengsel van een tas diagonaal over haar schouder. Het licht van de straatlantaarns reflecteerde op de glimmende klinkers. Ze was duidelijk geagiteerd. Haar hoofd schoot naar voren toen ze de woorden uit stootte. ‘I said I miss you… once!

’Ik had het druk met het verkeer, op het kruispunt vlak voor café Broers. Er zijn voetgangers die niet door hebben dat ze op het fietspad lopen, en automobilisten waar ik me van afvraag of ze zich die regel ‘recht door gaat voor’ echt nog kunnen herinneren van hun theorie examen. Vooral omdat daar niet helemaal duidelijk is wie rechtdoor gaat en wie afzwenkt. Want eigenlijk doen we beiden van allebei een beetje.

Pas toen de verkeerssituatie wat overzichtelijker werd, kreeg ik de kans om de zin op me in te laten werken. Ik haalde een studente in, wiens fiets rammelde en kraakte, met doorschietende pedalen en een breed uitzwabberend achterspatbord. Zou het meisje met de telefoon zich moeten hebben verantwoorden voor het feit dat ze de jongen miste? En dat ze toen maar zei dat ze het één keert gezegd had. Één miezerig keertje. Sorry hoor, als we daar ook al niet meer tegen kunnen…

De ander missen, een niet te onderschatten wapen in het constante duel dat ‘verkering’ heet. Sommigen interpreteren het als een compliment, anderen als een verwijt. En zelfs in het eerste geval kan het je van je paard prikken als een lange lans. Word je immers niet geacht de ander precies even veel terug te missen?

Missen is in vrijwel alle gevallen raken.‘Tu me manque,’ zeggen de Fransen. Je ontbreekt, zou ik het vertalen, met mijn HAVO Frans. Maar de man die al veertig jaar gewend is om alles op te vatten als een aanval, wentelt zich in de steenkolen en maakt ervan: er mankeert iets aan je.

Vriendinnen hebben me vaak zat te kennen gegeven dat ze me misten, ook al was ik voortdurend in de buurt. Fysiek, dan.

Zodra een vrouw zegt dat ze me mist, beland ik en een onoverzichtelijke verkeerssituatie. Ik kan nooit voorspellen of rechtdoor zal gaan of afzwenken. Misschien moet ik me toch eens aan een theorie examen wagen.

‘Ik heb minder geslapen dan jou, geloof mij nou maar.’

Utrecht, Loeff Berchmakerstraat, 30 augustus, 2011, 14.35 uur. 

Ik fietste naar huis zonder echt te weten wat ik daar wilde doen. Zoals wel vaker nam ik me voor om dan in ieder geval de computer uit te laten. De twee uur die ik had stuk te slaan zouden anders voorbij zijn zonder dat ik enig idee zou hebben waarmee ik ze gevuld had. Maar drie omwentelingen van mijn trappers later bedacht ik toch een mailtje dat ik moest schrijven en een website met informatie die ik nog moest bezoeken.

Ik was moe. Ik zou naar bed kunnen gaan. Maar er waren nog blogs te schrijven en zinnige vervolgplannen te maken voor mijn vele projecten (die ik meestal in een kwieke bui heb bedacht en die vervolgens stil komen te liggen). Er waren telefoongesprekken te voeren en rommelige kamers op te ruimen. Dat zijn activiteiten die ik altijd voor me uitschuif tot een tijdstip dat ik niet moe zal zijn. Die momenten zijn er vaak zat, maar dan ben ik zo fit dat ik fabelachtige nieuwe ideeën krijg. En die moeten dan op stel en sprong uitgevoerd worden.

Drie jongens liepen me tegemoet in de Loeff Berchmakerstraat. Glimmende jassen, bontkragen, kapsels die microscopisch precies opgeschoren waren.‘Ik heb minder geslapen dan jou, geloof mij nou maar’, zei er eentje, terwijl hij een ander een stomp tegen zijn schouder gaf. Ik reed op een sukkelgangetje, maar ik was niettemin al snel te ver richting Breedstraat verdwenen om te kunnen horen of de ander daar tegenin ging.

Ik zou ook wel iemand willen bellen, nu. En dan alleen maar zeggen hoe lang geslapen heb vannacht. En dan weer ophangen. Waar komt die drang vandaan om anderen te moeten vertellen over de korte nachtrust? Trouwens ook over extreem lange slaapsessies, maar dat is voornamelijk bedoeld om aan te geven dat het echt wel nodig was, want o, wat hadden we de nachten daarvoor toch weinig geslapen…

Ik zette mijn afgesloofde gezicht op, zodat ik niemand hoefde te vertellen hoe erg ik eraan toe was. Ze zouden het zo wel zien. Ze zouden wel twee keer nadenken voordat ze me aanspraken voor een vuurtje, een euro, of een vriendendienst.

Bij thuiskomst nam ik eerst een douche van 25 minuten.Toen liet ik me op de bank vallen. En deed niets. Ongeveer twee minuten. Ik stond op. Zette de computer aan. En ik keek of er misschien email was.

‘Ik zal je zeggen: ik ga daar zitten… oogkleppen op…’

Utrecht, St. Laurensdreef, 29 juni om 10.15 uur. 

Ik was in Overvecht beland. Op een bedrijventerrein. Op een donderdagochtend. Buiten regende het.Ik laat me soms inhuren als trainingacteur. Het soort opdrachten dat werkloze toneelspelers aannemen. Ik ben geen werkloze toneelspeler. Helemaal geen toneelspeler. Maar in zo’n rollenspel een arrogante gesprekspartner acteren vind ik amusant om te doen. Bovendien kan ik van de verdiensten minstens een week rondkomen.

De training heette ‘vrienden maken’. De werknemers moesten leren hoe ze in een zakelijk gesprek de ander voor zich innamen. ‘Op de relatie zitten’ noemden ze dat.

En dat alles diende dus te gebeuren in Overvecht.

Ik had de eerste twee uur niets te doen, behalve de introductie bijwonen. Het oefenen met de rollenspelen kwam pas aan het eind van de ochtend. Ik en de andere acteur zaten achterin het lokaal op een tafel. We keken stoffig voor ons uit. Ik kan me nog bijbaantjes herinneren uit mijn studententijd. Soms was gedurende een kwartiertje de lopende band stuk en had ik niets anders te doen had dan wachten tot het werd opgelost. Toen vond ik dat altijd dat een lekkere meevaller.Tegenwoordig moet op deze momenten van nietsdoen alle zeilen bijzetten om niet voluit te gaan schreeuwen. Zo’n leidinggevende die zijn praatje afsteekt, en elke zin volpropt met minstens vijf afkortingen waar ik de betekenis niet van ken; als ik niet zo vredelievend was geweest, zou ik hem het liefst neerslaan. Ik werk liever een hele ochtend aan een lopende band, dan een uur te moeten luisteren naar dat managersgedrein.

Om de boel niet te laten escaleren stond ik op en liep naar de wc. Een beproefde methode, die stamde uit mijn middelbare schooltijd. Weg uit het benauwde lokaal, vol mensen die eigenlijk allemaal liever ergens anders zouden zijn.

Ik liep langs de kantine en passeerde twee meisjes die flesjes ontbijtdrank vasthielden. Ze zaten dicht bij elkaar aan een van de tafeltjes. ‘Ik zal je zeggen: ik ga daar zitten… oogkleppen op…’ zei de ene. Daarna dacht ik nog iets op te vangen als: ‘volledig in mijn eigen wereld…’

Ja, dat was het. Iedereen in zijn eigen wereld. Er zijn twee werelden; eentje waarin mensen fysiek verblijven en de andere waarin ze met hun gedachten zijn. Ik bleef lang op de wc zitten. Hoewel ik eigenlijk niet daar was, maar bovenzintuiglijk al achter de computer om dit stukje te tikken. Zoals ik nu niet achter de computer ben, maar weer terug in dat wc hokje om terug te halen hoe het ook alweer was. Vrij omslachtig gedoe eigenlijk, allemaal.

Toen ik weer terug kwam in het lokaal, was de trainer iets aan het uitleggen. Het ging over cosmetisch luisteren. Dat betekent: wel alle uiterlijke kenmerken vertonen van een luisterend persoon, maar intussen bedenken hoe je het gesprek een kant op kunt duwen die jij interessanter vindt. Zijn gehoor deed op geen enkele manier zijn best om zelfs maar half cosmetisch te luisteren.

Oogkleppen op. Volledig in hun eigen wereld.

‘In dat team zou ik dan wat meer, tja, precies wat Bart al zegt…’

Utrecht, Hopakker, 21 mei 2011, 16.33 uur.

Als je wandelt zie je meer. Het ommeland trekt trager aan je voorbij en als je iets opvalt, kun je binnen een halve tel stil staan om het rustig te bekijken. Op de fiets moet je eerst afremmen en daarna de te ver doorgeschoten afstand weer terug afleggen. Vaak is dat vooruitzicht voldoende om het maar helemaal te laten. Veel blijft ongezien, tijdens fietstochtjes.

Behalve als ik met mijn kinderen ben, natuurlijk. Die hebben geen moeite met stoppen en terug gaan, als er een kleurig elastiekje op straat ligt. ‘Nee, we rijden door,’ zeg ik meestal streng. Waarna er zo’n gedrein en gemekker losbreekt dat ik, om er vanaf te wezen, toch maar toegeef. Mokkend leun ik op mijn stuur terwijl ze de – inmiddels – 200 meter terug rijden om het vieze ding op te rapen.

Ik heb voldoende opvoedkundige principes. Soms voel ik me een buitenstaander die verwonderd toekijkt hoe ik ze te grabbel gooi.

Misschien had ik mezelf afgelopen zaterdag moeten toestaan om terug te lopen. Had me waarschijnlijk een prachtig citaat opgeleverd. De eerste zin die ik hoorde, verstond ik maar half. ‘Gewoon een beetje borrelen,’ was een fragment dat ik dacht op te vangen. Ik was nog te ver weg van de drie jongens die voor de voordeur zaten om het goed te horen.

Twee van hen zaten op stoelen die ze op de stoep hadden gezet, eentje op een scooter. Die laatste was aan het woord. Hij zei: ‘In dat team zou ik wat meer…’ Ik spitste mijn oren terwijl ik langs liep. Ik vertraagde mijn pas. Maar op dat moment vertraagde er ook iets in zijn spreken. Hij weifelde en liet een stilte vallen. ‘Tja…’ ging hij verder, ‘precies wat Bart al zegt…’

Nu was het aan mij. Ging ik werkelijk stil staan om de rest van de zin te horen? Wat had Bart al gezegd? En welke rol zou de jongen op de scooter in dat team gaan vervullen? Prangende vragen. Maar afluisteren is onbeleefd.

Ik had kunnen knielen en veinzen dat ik mijn veter strikte. Ik had ook gewoon terug kunnen lopen. Opnieuw langs de jongens die daar zaten, met flesjes bier in de brandende zon. Dat is toch niet verboden? Over de stoep lopen en dan terugkeren. Het zou best kunnen dat ik thuis iets was vergeten….

Maar ik liep verder. Het kind in mij, dat dreinde en mekkerde, heb ik genegeerd. Jammer genoeg ben ik strenger voor mezelf dan voor mijn zoons.

En nu moet ik het doen met speculatie. Ik denk zeker te weten dat er een of andere verwaande opmerking tussen zijn studentenlippen vandaan zou komen. Dat hij in dat team wat meer… tja, zoals Bart al zei, een leidinggévende rol zou gaan vervullen. Dat hij daar, hoe moet je het omschrijven, de lijnen uit ging zetten.

Een zin als een kleurig elastiekje. Maar ik heb hem laten liggen.

‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’

Utrecht, Vismarkt, 4 april, 16.37 uur.

In Utrecht heb je de Oudegracht. Het zou met gemak de bekendste straat van de stad kunnen zijn, ware het niet dat slimme middenstanders op de Neude en het Vredenburg zich in 1935 hebben ingekocht in het bordspel waarbij vergissingen van de bank in uw voordeel uitvallen.

Eigenlijk heb ik het altijd een beetje vreemd gevonden dat de makers van dat spel het vanzelfsprekend vonden dat je dat geld dus houdt. Ik zou het meteen teruggeven. Dat klinkt misschien nogal braaf, maar ik heb een keer vierhonderd gulden verbrast in de binnenstad, nadat een verzekeraar het om onverklaarbare redenen op mijn rekening had gestort. Natuurlijk werd mij daarna vriendelijk gevraagd het bedrag terug te geven. Ik heb drie maanden lang moeten leven als Van Gogh om aan dat verzoek te kunnen voldoen.

Generaties monopoly spelers zullen jarenlang onder curatele gesteld zijn, omdat ze van dat vergissingsgeld vrolijk huizen en hotels op de Neude en het Vredenburg hadden laten bouwen.

Ik heb persoonlijk een zwak voor de Oudegracht. ’s Nachts drijven de lichtjes in het rimpelige water. Je fietsbel rinkelt vrolijk terwijl je over de straatstenen rijdt, die losjes onder je wielen kobbelen.

Bovendien is het een van de weinige straten waarvan ik de naam weet. Ik woon al twintig jaar in deze stad, maar nog steeds moet ik elk adres opzoeken op de plattegrond. Ik verslijt ongeveer een stadskaart per jaar. Maar de Oudegracht gaat nog net. Hoewel de Utrechtse gewoonte om het moeilijker te maken dan het is ook hier heeft toegeslagen.

Om een voorbeeld van die gewoonte te geven: vanaf het station tot het Wilhelminapark loopt een lange straat. Lekker makkelijk, zou je denken. Een ijkpunt, waar je je toe kunt verhouden als je de weg zoekt. Maar niet in Utrecht. Die ene, lange straat heet achtereenvolgens (ik sla mijn versleten kaart voorzichtig open, opdat hij niet scheurt): Smakkelaarsveld, Vredenburg, Lange Viestraat, Potterstraat, Jansstraat, Janskerkhof, Nobelstraat, Nachtegaalstraat en Reigerstraat.

De Oudegracht lijkt een makkie, maar ter hoogte van de Dom heet hij heel even het Wed. En honderd meter verder, als de weg omhoog gaat richting het stadhuis, hangt een straatnaambord met ‘Vismarkt’. Daarna wordt het weer net zo gemakkelijk Oudegracht.

Over deze Vismarkt fiets ik vaak. Behalve de afgelopen maanden, omdat ze bezig zijn met iets in de grond. Je moet afstappen en met de fiets aan de hand door een smalle doorgang, die ook door het langzaam voort sjokkende winkelpubliek wordt gebruikt.

Dus om die Vismarkt te omzeilen ga ik door het winkelgebied, waar je niet mag fietsen. Ik houd er niet van de verkeersregels te overtreden. Vreemde eigenschap, misschien. Bij dat racen door de winkelstraat verwacht ik elk moment politiepetten uit de mensenmassa te zien opdoemen. Dus de laatste keer besloot ik toch die nauwe doorgang te nemen. Ik had geen haast, hoewel dat vreemd genoeg bijna nooit een reden is om rustig aan te doen. Dit keer wel. Je moet niet al je handelen proberen te begrijpen.

De Vismarkt gaat lichtjes bergafwaarts, richting het Wed. Het prijsgeven van gratis verkregen snelheid kost me gewoonlijk vrij veel moeite. Ik jaag voetgangers en fietsers de stuipen op het lijf omdat ik weiger af te remmen. Maar nu was van geen snelheid sprake en ik sjokte in de rij winkelend publiek met de fiets aan mijn hand. Een jongen, begin twintig, liep in tegenovergestelde richting. We raakten elkaar bijna tijdens het passeren. Hij praatte in een mobiele telefoon.

‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’

Hij klonk begaan met de man die hij aan de lijn had. Hij lachte en schudde zijn hoofd. Zijn haardos schudde mee. Alles aan hem was jong. En nog sympathiek ook. Inlevend. Een combinatie die ik nooit van de grond heb weten te tillen, toen het aan de orde was.

Toen ik de hekwerken om de opengewerkte straat voorbij was, fietste ik verder. Een man, die dacht dat het een voetgangersgebied was, maakte zich breed en liep expres in mijn richting. Ik ontweek hem en besteedde de volgende paar minuten aan de formulering waarmee ik hem op de coolste manier zou duidelijk maken dat híj het bij het verkeerde eind had.

‘Hé man, waar zie jij een bord waarop staat dat je hier niet mag fietsen?’

‘Jij komt zeker van buiten, vriend? Ga stoer doen in je eigen dorp.’

‘Heb jij je verkeersdiploma wel gehaald, in de zesde?’

Erg bijdehand ben ik nooit geweest. Hoeft ook niet. Liever ben ik als de jongen met het mobieltje. ‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’ Dat was eigenlijk de beste reactie geweest. Op zo’n beetje alles, bedenk ik me nu.

‘Ik heb nog nooit zo veule verdiend, jongen’

Zwolle, Kerkstraat, 1 juli 2011, om 19.01 uur

Ik liep over de stoep vanaf Zwolle Centraal naar het huis van mijn ouders. Elke keer als ik over de Wilhelminasingel kom, moet ik denken aan een moment tijdens mijn rijexamen, twintig jaar geleden. Ik reed daar en dacht dat ik te dicht langs een fietser ging. Ik schrok. Zweet prikte door mijn hoofdhuid. De examinator keek niet op of om. Een uur later had ik mijn rijbewijs.

We beleefden hetzelfde moment, de examinator en ik. Hij was zich niet eens bewust dat het een moment was. Ik denk er nog een paar keer per jaar aan.

Nu stond, in diezelfde straat, een vrouw met een fiets. Dwars op de stoep. Ze praatte met een baardige man. Hoewel ze me wel aan zag komen lopen, ging ze niet aan de kant, waardoor ik over de rijweg moest om ze te passeren. Ik maak er een sport van om met een zo neutraal mogelijk gezicht de consequenties te aanvaarden van stom verkeersgedrag van anderen.

De sociale omgang in het verkeer is sowieso een onderwerp dat me bezighoudt. Nog geen twee minuten daarvoor was ik overgestoken op een zebrapad op de Assendorperstraat. Een Nissan was in volle vaart, maar remde om me over te laten steken. Ik denk misschien te veel na over de dingen, maar de vraag of ik een gebaar naar de bestuurder had moeten maken voor de voorrang die hij verleende, hield me nog een paar honderd meter bezig.

Enerzijds wel prettig dat hij voor me stopt. Maar als we nu ook al waarderende handgebaren naar elkaar gaan maken omdat iemand zich gewoon aan de verkeersregels houdt, kunnen we wel bezig blijven.

Op de Wilhelminasingel kreeg ik daarvoor dus meteen de rekening gepresenteerd, door de vrouw met de fiets die me negeerde. Het was mijn verdiende loon. Maar toch wilde ik haar straffen voor haar lompe gedrag. De zin die ik opving – ‘Weet je, we bellen wel en dan maken we dan wel een afspraak’ – zou ik niet gebruiken als aanleiding voor een stukje. Dat zou haar leren. En ik hoopte dat de baardman haar nooit zou bellen voor die afspraak.

Nog geen vijftig meter verder kreeg ik overigens alsnog mijn eenzame zin toegeworpen. Het was vlak bij mijn ouders’ huis. Er staat daar een bankje, waar mannen van boven de zestig op zitten. ‘Hang-ouderen,’ noemt mijn moeder ze. Het bankje is maar klein, en de rest van de mannen met petten op hun kale schedels stond eromheen.

Ook een lid van dit groepje keuvelende mannen versperde de stoep met zijn fiets. Blijkbaar hadden mijn slechte gedachten over de onachtzame vrouw geen nieuwe deuken in mijn karma opgeleverd, want deze corduroy heer schoof zijn fiets wel degelijk aan de kant. Terwijl ik voorbij liep, hoorde ik een man op het bankje zeggen: ‘Ik heb nog nooit zo veule verdiend, jongen’.

Toen ik  dit vertelde aan mijn moeder zei ze: ‘hij zal het wel over zijn aow hebben gehad’.

‘Dag lieve vader, gefeliciteerd!’

‘Dag lieve vader, gefeliciteerd!’

Ik had mijn jas open terwijl ik naar de school van mijn kinderen fietste, hoewel het daar eigenlijk te koud voor was. De zon stond laag en scheen fel. Het meisje dat me tegemoet liep droeg een dure zonnebril. Haar lach spande zich over de volle breedte van haar gezicht, terwijl ze in haar mobiele telefoon zei: ‘Dag lieve vader, gefeliciteerd!’

Mijn eerste schrikreactie was een haastig nagaan of het vandaag misschien Vaderdag was. Een vrij onbenullige gedachte omdat 1) ik geen flauw idee heb op welke datum Vaderdag zou moeten vallen en 2) mijn vader niet zou weten wat hem overkwam  als ik met zo’n uitspraak aan de telefoon kwam.

Het idee tekort te schieten is me zo vertrouwd dat ik er reflexmatig mijn toevlucht toe neem. Ook als er geen reden toe is. Het meisjes was jong, had een gave huid en was ongetwijfeld lid van het studentencorps. Mijn instictmatige reactie maakte me duidelijk dat ik het altijd zal afleggen tegen de aristocraten. De underdog positie zit in mijn DNA verankerd.

Vroeger zei ik vaak tegen mijn moeder dat ik het oneerlijk vond dat er wel een Vader- en Moederdag bestond, maar geen kinderdag. ‘Het is elke dag kinderdag,’ antwoordde ze dan. Ik was altijd erg ontevreden met dat antwoord. Toen ik zelf kinderen kreeg, schoot die zin soms weer door mijn hoofd.

Ik was inmiddels alweer dertig meter verder. Het meisje had zichzelf met haar lach van elastiek naar het achterland gelanceerd. De erren in ‘vader’ en ‘ gefeliciteerd’, langgerekt en gepolijst, resoneerden nog na in mijn hooft. Haar spijkerbroek zat gegoten om haar benen, de hakken van haar laarzen klakten ritmisch, strak op de tel, tegen de stoeptegels.

Haar leeftijd schatte ik precies tussen die van mezelf en van het jongetje dat ik was toen ik op de kleuterschool een plankje bestempelde met in rood, geel en blauw gedompelde spijkerkoppen. Later werden daar haakjes in geschroefd waardoor het een sleutelplankje voor aan de muur werd. De juffen leek dat blijkbaar een attribuut waar de gemiddelde vader wel behoefte zou hebben. Ze hebben gelijk gekregen, want het hangt nog steeds in het halletje van mijn ouders’ huis. Hoewel het natuurlijk best kan dat mijn moeder zich daarvoor ingezet heeft.

In mijn eigen huis heb ik aan de muur een soortgelijk plankje, waar een wasknijper op gemonteerd is. Er staat de afdruk van de linker hand van mijn oudste zoon op, gemaakt toen hij nog een baby was. Het is om brieven onder te klemmen die ik nog moet afhandelen. Ik gebruik het al bijna tien jaar intensief.

Nog af te handelen brieven moffel ik het liefst zo ver mogelijk weg, om maar niet geconfronteerd te worden met mijn neiging zaken pas aan te pakken als het al te laat is. Maar áls ik dan besluit me ermee bezig te houden, dan wil ik ze ook in een fractie van een seconde kunnen vinden.  Duurt het langer, dan bestaat de kans dat ik weer van gedachte verander.

Het meisje met haar lach van elastiek en haar erren van speksteen heeft zulke problemen niet. Ik weet het zeker. Ze is stipt in het onthouden van haar verwekkers verjaardag. Van Vaderdag ook. Het kado ligt al klaar. Een vergulde briefopener.

‘Ze zegt wel dat jullie niet hebben gebeld enzo…’

Utrecht, Rijnlaan, 26 januari, 9.35 uur

Vroeg in de ochtend moest ik met mijn zoontje van zeven naar de schooldokter. Die dokter komt niet naar school, zoals de naam misschien doet vermoeden, maar daar moet je heen. Vijf komma tweeëntwintig kilometer fietsen, om precies te zijn. In mijn beleving is Utrecht een dorp. Ik ga er standaard vanuit dat het overal naartoe een kwartier fietsen is. Dat is niet zo en dat heb ik al een keer of vijfentachtig moeten ondervinden.

We wachtten voor een stoplicht. Mijn zoon wilde graag op de knop drukken. Twee meisjes met hoofddoeken stapten uit de bus en passeerden ons. Iets in hun lichaamstaal maakte me alert. Vooral de wat dikkere, die aan het woord was, had mijn aandacht: vinnige bewegingen, strak getrokken lippen, toegeknepen ogen en een wijsvinger die tijdens het praten door de lucht danste als de piemel van een badmintonnende nudist.

Ik spitste mijn oren, want alle uiterlijke kenmerken wezen maar in één richting: roddel. Ik kan nog zo mijn best doen om niet te praten over andere mensen als ze er niet bij zijn. Ik laat me kennen als de grootste braverik van de stad als ik gesprekspartners afkap die dat wel doen. Maar dat is aangeleerd gedrag. Ik vertoon nu een intuïtieve, menselijke reflex. Ik wil alles horen.

Ik heb de afgelopen vijftien minuten een monoloog van mijn zoon voorbij horen komen over Narnia deel een, twee en drie, waarvan hoegenaamd niets tot me doorgedrongen is. Hij deed me chronologisch de gehele verhaallijn uit de doeken. Ik zei ‘ja’, ‘o?’ en ‘sjonge!’ op gezette tijden, terwijl ik dacht aan turftechnieken, aan een blog die ik wil schrijven en aan de planning voor de rest van de dag.

En nu ben ik een en al aandacht voor twee zestienjarige moslima’s die het hebben over iemand die ik niet ken en nooit zal kennen. Uit het verkeersgedruis stijgt een zin op. ‘Ze zegt wel dat jullie niet hebben gebeld enzo…’ De zin is een vis die kort aan het wateroppervlak verschijnt. Even een schittering in het zonlicht, en weg…

Ik zou in Engelstalige landen mijn hart kunnen ophalen. Aan het sissende geluid van het woordje ‘she’ is het kwaadspreken gemakkelijk te herkennen.

Inmiddels hebben mijn zoon en ik het GGD gebouw bereikt. Hij vindt het vet dat het vlak naast het politiebureau staat.

In de spreekkamer moet hij zijn kleren uit. Er worden hem vragen gesteld. ‘Hoeveel fruit eet je op een dag? Hoeveel televisie kijk je? Hoe vaak zit je achter de computer?’ Ik luister nauwgezet naar zijn antwoorden. Ik hecht er belang aan om hem niet te corrigeren of aan te vullen. Het lukt me. Daarna moet hij zijn rug laten zien, moet hij voorover buigen en weer terug, wordt hij gemeten en gewogen. Ik weet niet of ik zijn spanning overneem, of dat ik me mijn eigen gevoel van vroeger herinner, bij de schooldokter.

‘Ik vond het leuk,’ zegt hij op de terugweg. Misschien omdat deze mevrouw wél luisterde naar wat je vertelde, schiet door mijn hoofd. We staan weer op hetzelfde kruispunt als waar ik op de heenweg stiekem de roddelzin afluisterde. Is afluisteren erger dan roddelen? Is weinig televisie kijken beter dan veel? Ben je een slechtere ouder als je de antwoorden van je kind nuanceert tegenover de schooldokter? Is het erg als de ene vriendin de andere niet gebeld heeft?

Ik vermoed dat het antwoord op al deze vragen ‘nee’ is. Maar die veronderstelling zou de wereld onhandelbaar saai maken. gespeend van elke soort van drama. Dus kies ik toch maar voor ‘ja’. Mijn zoon is aan het woord. En ik mijmer verder.