Geen idee. Je hebt geen idee nodig voor een verhaal.

Dus pak een boek uit je kast, sla het op een willekeurige pagina open, laat je vinger neerkomen op een willekeurige zin.

Zo. Daar ga je. Dat is de eerste zin van je korte verhaal. Fijne zaterdag.

Yeah, it’s that easy.
Tikker

PS: Geheime truc: begin de tweede zin met dezelfde woorden als de eerste. Voor die fijne cadans. En dan ga je variëren.

PS II: Mail me jouw korte verhaal. Ik ben nieuwsgierig! david@berichtenvantikker.nl

***
De Naamlozen – Joshua Ferris (pagina 133)
Hij wees hen op twintig foutloze jaren en op de vele miljoenen die hij voor het bedrijf had verdiend. Hij wees hen, met een priemende vinger naar de grafiek, aan waar de spitse punten omhoog zich bevonden en hij zei er maar even bij wat hij daarmee te maken had gehad. Hij wees op zijn borst, ritmisch, wat een dof geluid tegen zijn borstbeen maakte en wat zijn stropdas deed dansen.
Ik, ik, ik, hoorde hij zichzelf zeggen en elke keer als hij het woord uitsprak draaide hij zichzelf weer wat verder vast in zijn redenering, als een aangelijnde hond die rondjes om een lantaarnpaal rent.
De twee mannen tegenover hem hoorden hem aan, waarbij er eentje steeds de muis bewoog om te zorgen dat zijn scherm niet op zwart ging en de ander kennelijk een nieuw horloge had, dat hij onophoudelijk bevoelde.
Hoe langer hij aan het woord was, hoe meer onzin hij begon uit te kramen. Aan het eind van zijn betoog was zijn verontwaardigde toon van spreken overgegaan in schreeuwen. Het viel hem op dat zijn directe leidinggevende, Van Beuningen, die steeds op zijn scherm zat te kijken, een moedervlek op zijn linker ooglid had. Had die er al die jaren al gezeten? vroeg hij zich af. Het deed er niet meer toe. Hij eiste zijn ontslagbrief en wel nu, zodat hij hem zonder dralen kon ondertekenen, met deze pen hier, zien jullie die?
Het document bleek inderdaad al opgesteld en uitgeprint te zijn en werd door Van Beuningen over de tafel naar hem toe geschoven.
Hij zette zijn handtekening. Robuust. Veel hoekiger dan normaal, met een ferme punt erachter, die er officieel ook niet hoorde. Misschien, dacht hij later, kon hij het nog ongedaan maken, allemaal. Want die krabbel was niet rechtsgeldig.
Hij had een hamburger gekocht en morste saus op zijn revers.
Wat hem nog het meest verbaasde, was dat hem die moedervlek op het ooglid van Van Beuningen al die jaren niet was opgevallen.

‘Ik ben best bereid om dingen voor je te doen, maar dat gaat me een beetje te ver’

Utrecht, Anthoniedijk, 15 april 2013, 21.00 uur

Waarom ik daar liep, op de Anthoniedijk, was terug te voeren op een jas die ik vorige herfst had gekocht. Een modern ding, met flappen die de boven- en onderkant van de rits bedekken. Omdat ik in vrijwel niets modern ben en ik vond dat het maar eens tijd werd, besteedde ik er een modern bedrag aan, iets waar ik normaal gesproken te belazerd voor ben; ik moet even buiten mezelf getreden zijn in die winkel.

Een tussenjasje, te koud voor de winter; te warm voor de zomer. Ik had het na aanschaf maar een paar keer kunnen dragen en nu verheugde ik me er al een maand op om dat opnieuw te doen. Maar het bleef aanhoudend bitter koud in de stad, eind maart, begin april. En ineens, dit weekend, na een nachtelijk uitgevochten meteorologische blitzkrieg, was het twintig graden. Een zondags tochtje door het ommeland moest ik al na een kilometer zwetend onderbreken; het kekke jasje in de fietstas.  Ik zag het dragen ervan met een droef voorgevoel over de zomer heen getild worden. Op z’n hoogst post modernistisch, zou ik zijn.

Maar ik was strijdvaardig, deze avond. Ik zocht en vond een reden om de straat op te gaan in de ideale, twaalf graden tellende avondschemer. Hoe vaker je een kledingstuk draagt, hoe goedkoper het per keer wordt, nietwaar. Lopend bracht ik een contract dat ik ondertekend had naar een adres op een kwartiertje gaans.

‘Ik ben best bereid om dingen voor je te doen, maar dat gaat me een beetje te ver,’ zei een moeder met zo’n zestig kilo overgewicht tegen haar dochtertje met een roze jurkje. Het meisje trok haar schoenen aan op de stoep. Verderop stonden jongeren om een auto waar harde muziek uit klonk.

Ik wist niet wat de dochter van haar moeder gevraagd had. Iets dat te ver ging, kennelijk. De uitspraak deed me denken aan eerder op de avond, toen ik bij mijn ex was, om te overleggen over mijn zoons verjaardag, de dag daarop. Ik had, volgens de afspraak, de ingrediënten voor de schooltraktatie gekocht en zij zou de dadeltaart bakken. Daar was ze ook mee bezig. Stuifmeel en chocolade vegen in haar gezicht, waarin de vermoeidheid van te veel verjaardag beslommeringen stond te lezen. Het aanrecht was een grillig landschap van kommen en mixers.

Eigenlijk had ik haar moeten helpen. Even koken voor de kinderen of de keuken opruimen. Maar ik had geen zin. Ja, ik was best bereid om dingen voor haar te doen, zoals ook de zwaarlijvige moeder op de Anthoniedijk haar dochter verzekerde. Maar kennelijk was ik tegelijkertijd helemaal niet bereid om dingen voor haar te doen.

Ik schatte het kind op de stoep een jaar of negen. Net zo oud als mijn zoon, nu nog een paar uur. Maar hij lag op dit tijdstip al te slapen, dus waren het geen uren, die hem scheidden van zijn verjaardag, maar niet meer dan  een vingerknip. De tijd zou pas weer gaan lopen bij het openen van zijn ogen. En dan was hij het. Tien. Als een winter die direct overgaat in zomer.

 

‘Bij al het leed dat hij had, kreeg hij ook nog de hik’

Ik was een kwartier te vroeg bij Swaak. Ze waren nog niet open. De medewerker die ik herkende van de vorige keer dat ik er was, kwam tegelijk met mij aanfietsen. Op mijn verzuchting dat ik me dan maar vijftien minuten moest zien te vermaken, antwoordde hij dat dat voor hem ook gold. En dat hij daartoe sigaretten had meegenomen. Ik zou op eigen kracht iets moeten verzinnen.

Ik liep over de Choorstraat richting de Steenweg, in een slentergang waarvan ik me afvroeg waarom ik die niet wat vaker inzet. De zaterdag ochtend was koel maar zonnig. De herfst stond in de coulissen te wachten op het juiste moment om op te komen.

Een koppel van ergens in de vijftig zette zich juist in beweging na voor een etalage te hebben stilgestaan. De man droeg een rode broek en had een gebruind hoofd. De vrouw was een heel stuk kleiner, droeg een grote zonnebril met daarboven een zonwerende klep. Beiden keken een andere kant uit en tastten naar elkanders hand.

C.C.S. Crone

Na wat grijpen in het luchtledige, zonder in de gaten te hebben dat ze niet eens bij elkaar in de buurt grepen, kreeg de vrouw de ingeving om toch maar even te kijken. Ze pakte haar mans hand.

Hij was inmiddels begonnen met praten. ‘Bij al het leed dat hij had,’ zei hij. Ik kon aan zijn stem niet goed horen of er een afkeurend of een medelevend vervolg op die eerste woorden zou komen. ‘… kreeg hij ook nog de hik’, ging hij verder.

Inmiddels had ik besloten een schoenlepel te gaan kopen. Een voorgenomen aanschaf die al een tijd op het krijtbord in de keuken stond.

En ook drong het tot me door waarom ik de intonatie van de man niet vond passen bij de woorden die hij sprak.

Hij citeerde.

Op een blinde muur op de Donkere gaard staat een fragment uit een verhaal van C.C.S. Crone. Daar had de man het over. Onderweg naar de schoenmaker probeerde ik te bedenken hoe de tekst werkelijk ging. Want de man met de rode broek, met het gebruinde gezicht en het grijze, sluike haar dat hij naar achteren droeg, die de hand vasthield van een vrouwtje met de zonnebril en klep, zat wel in de buurt, maar de precieze formulering ging anders. Er schuilt een betweter in mij, die nu met de tekst aan de haal ging. ‘Op de Donkere Gaard stond hij stil. Nu had hij ook nog de hik gekregen.’ Dat was de versie waar ik na intensief peinzen op uit kwam. En dan inderdaad iets met ellende, maar dan niet het woord ‘ellende’.

Zo moest het dan maar zijn. Ik liet me bij de schoenmaker de twee modellen schoenlepels tonen. De dure, tien euro, met het lange handvat. Of de kleine, voor nog geen vijf. Deze net niet herfstige zaterdagochtend, met dit prettige, kleine kwartiertje dat mij in de schoot geworpen was, verdiende geen beknibbelen op uitgaven. Ik koos de lange lepel.

Op de weg terug naar Swaak liep ik een klein stukje om. Het was de Lichte Gaard, niet de Donkere, moest ik vaststellen toen ik bij de muur met de Crone zinnen aankwam. En van de rest van het citaat had ik ook weinig meer terecht gebracht dan de man die tastte naar de hand van zijn vrouw.

Ik las de heerlijke zinnen: ‘Later stond hij in de Lichte Gaard naar de sterren te kijken. Nu had hij bij zijn verdriet nog de hik gekregen.’

Toen ik thuis kwam deed ik mijn schoenen uit en meteen weer aan, met een gemak dat me tevreden stemde. Toen liep ik naar mijn boekenkast, op zoek naar De Schuiftrompet, van C.C.S. Crone.

‘Hij moet niet vaak gevochten hebben, hij moet goed met zijn familie om kunnen gaan en hij moet een goede baan hebben.’

Ik hoorde een meisje achter me deze woorden zeggen toen ik de supermarkt verliet. Ik heb niet omgekeken. Voor het mysterie. De zin liet ik door mijn hoofd spelen; hij kaatste in z’n volle lengte heen en weer. Dat moest ook wel, want ik had geen pen en papier bij me. Gedurende het ritje op de fiets, van de winkel tot mijn huis, repeteerde ik de drievuldigheid waaraan deze nieuwe geliefde zou moeten voldoen.

Na het eisenpakket van de ongeziene dame zo’n vijftig keer voor me uit gezongen te hebben, drong het tot me door: ik zou zeker bij haar in de smaak vallen. Jazeker, jij stem zonder lijf, louter trilling in de lucht; je hebt het hier over mij! Als ik niet zo zeker wist dat je zojuist, net als ik, de winkel had verlaten, dan zou ik nu meteen omgekeerd zijn. Ik was naar je op zoek gegaan tussen de schappen en had me aan je voeten geworpen. Stop met zoeken. Ik ben je man.

Ik voldoe op alle fronten. Om met het vechten te beginnen: ‘niet vaak’ is in mijn geval een understatement. Mijn knokkels zijn ongeschonden. Mijn neusbeen ook. Niemand ziet zo snel een gevecht aankomen als ik. En niemand weet zich zo snel uit de voeten te maken.

Behalve als ik droom. In mijn slaap ben ik wreder dan Atilla de Hun. Werkelijk, ik steek vijanden met lange vleesmessen in het hart. Ik tuig ze af met loden staven. Soms word ik wakker en ben ik verward en geshockeerd door het geweld dat de neuronen in mijn hoofd me voorgeschoteld hebben. Maar dat telt niet, toch, meisje?

Voorbehoud twee, dan. Familie. Kan ik uitstekend mee omgaan. Ja, hoor, altijd gezellig. Geen wanklank; ik zou niets kunnen bedenken. Of het moet zijn dat ik rond kerstmis altijd zo vreemd gedeprimeerd raak. Dat ik soms hun verjaardagen vergeet, heel vreemd. Maar daar hoef je je geen zorgen over te maken, dat zit allemaal veilig onderhuids, jij onbekende vrouw.

Ten derde, een goede baan. Laat ik je geruststellen. Ik heb de beste baan die er bestaat. Opstaan: zelf weten. Geldt ook voor de opdrachten die ik wel of niet aanneem. Uitdagend werk; steeds maar het hoofd boven water zien te houden in de woeste golven van mijn inspiratie. Bovendien, altijd thuis om voor de kinderen te zorgen, klusjes in huis, de loodgieter binnen laten… Ja, oké, soms wat lichte paniek als de bankpas even niet meer werkt. Misschien incidenteel een weekje wat minder vaak uit eten of sporadisch een maaltijd overslaan. Het komt wel goed, schat. Het komt altijd weer goed.

Ik ben je gedroomde prins. Tot we hoogbejaard zijn blijven we samen. Ik heb maar een paar puntjes: geen lipstick, geen peuken, geen stopwoordjes, geen voice of holland, geen smetvrees, nestdrang, achterdocht, neukangst, kletspraat, plaat zeggen in plaats van gezicht, giechel in plaats van mond, geen stadionverbod, geen verwachtingen, geen trouwplannen, geen moeilijke gesprekken of slaapverwekkende verhalen.

Ik kom je halen. Ik slinger je over mijn schouder.

Ik ben van jou.

Doe die dichter een kwast kado

De Utrechtse dichter Ingmar Heytze breekt al jaren een lans voor poëzie die de lezer iets herkenbaars voorschotelt. Dit als tegengeluid tegen de onder kenners heersende opvatting dat goede gedichten gaan over het ‘onzegbare’, en dat de schrijver, daaruit voortvloeiend, zich niet zou moeten vermoeien met het onzegbare toch proberen te zeggen. Daarom, volgens diezelfde kenners, zou een dichter zich moeten neerleggen bij de onmogelijkheid daarvan en zou hij (of zij, natuurlijk) vervolgens een andere manier moeten vinden om duidelijk te maken waar hij op doelt. Maar, en nu komt het, dat moet dan wel gebeuren met woorden.

En daar haak ik af. Ik kan er nog in komen dat een kunstenaar zijn onderwerp niet wil benoemen, maar ernaar wil verwijzen. Dat hij de deur naar nieuwe werelden niet voor de lezer dicht wil kwakken door plompverloren uit te leggen waar het op staat, maar dat hij die deur door te suggereren juist open gooit. Hij roept iets op bij de lezer, die zelf dan maar stap twee en drie moet zetten om over de drempel te komen.

Maar is dan, als je inmiddels zo streng in de leer bent, taal wel het aangewezen medium om dat te bewerkstelligen? Begrijp me goed: ik zie, met Ingmar Heytze, voldoende mogelijkheid om een lezer met poëtische taal zodanig te ontregelen dat hij gaat nadenken over voorheen onbekende dilemma’s. Of dat hij zich dingen begint af te vragen die voor hem nooit eerder aan de orde waren. Maar daarvoor is het niet nodig om in codes te gaan schrijven. Juist een begrijpelijk verhaal nodigt de lezer uit om verder te lezen. De dichter die bang is om het te dik erbovenop te leggen, neemt zijn toevlucht tot een taal die zo ver ligt van hoe wij hem doorgaans gebruiken, dat het een droge, kurkachtige substantie wordt.

Wie deze poëzie tot zich neemt, moet werken voor zijn inzichten. Hij beleeft geen plezier aan de woorden zelf, nee, hij moet zich door de taaie materie heen vechten, en dan maar hopen dat hij uiteindelijk beloond zal worden met iets wat de moeite waard is. Het verhoudt zich tot gedichten met herkenbaar taalgebruik als Deutsche Wortschatz stampen zich verhoudt tot een vakantieliefde met een Berlijnse schone.

Het grote probleem met literatuur is dat de ‘consument’ hetzelfde medium gebruikt om te verwoorden wat het kunstwerk bij hem losmaakt, als de schrijver gebruikt om dat op te roepen, namelijk: taal. Daarom denk ik dat kunstvormen als dans en muziek in aanleg veel meer poëtische, of: oproepende kracht in zich hebben dan poëzie zelf.

Een tentoonstelling bezoeker zal niet snel een stuk klei uit zijn tas halen om, door middel van te boetseren, aan zijn vrienden duidelijk te maken waarom een kunstwerk hem zo raakt. De kijker en de kunstenaar beconcurreren elkaar niet. Een schrijver, daarentegen, doet zijn best om het publiek een stap voor te zijn. Of, om het anders te zeggen, hij maakt omtrekkende bewegingen om uit het zicht van de lezer te blijven.

Maar je hebt schrijvers die het al te bont maken. Ze rennen het bos in en gooien af en toe, als teken van leven, een steen in onze richting. Of ze produceren vanuit de verte persgeluiden die het midden houden tussen kreunen, huilen en jammeren, waarop wij, bij gebrek aan andere emoties die opgeroepen worden, ons vooral zorgen gaan maken.

De dichter die zo ver weg wil blijven van wat een lezer er ooit over zou kunnen zeggen, heeft de verkeerde kunstdiscipline gekozen. Doe hem een kwast kado. Of een strakke balletbroek.

Dit jaar deden mijn zoons op 5 december voor het eerst mee met surprises. De oudste had een pakje voor me gemaakt, met een briefje erin: kijk in de badkamer. Daar lag een pakje met: kijk in de plantenbak. Vervolgens: kijk in de schuur. Zo ging ik een tijd lang door alle vertrekken. Ik voelde me een lezer van een gedicht waarin iemand het onzegbare probeert niet te zeggen.

Je weet niet wat ik denk

Samen met: Ermo
Luister het hier: Je weet niet wat ik denk

Datum: vrijdag 14 oktober
Begintijdstip: 14.45 uur
Klaar: 17.45
Drinken: 3 thee, 1 water
Eten: niets

Het was lang geleden dat Ermo en ik muziek hadden gemaakt. Hij woont al een tijdje in Londen, vandaar. We gingen op zoek naar gratis parkeerplek en belandden in Tuindorp, waar alle straten eenrichtings zijn, en waar je nooit meer uitkomt, als je pech hebt.

We besloten de parkeerkosten te delen en zijn auto toch maar voor mijn deur te zetten. Ik vergat uiteindelijk Ermo 6 euro te geven, zodat hij het alsnog allemaal alleen heeft betaald. Toen we Tuindorp waren ontsnapt en terug reden naar mijn huis, vertelde Ermo over het rijgedrag van de Engelsen. Enorm voorkomend, zoals je mag verwachten van de Brit. Beleefd tot op het bot, maar het is ongemeend.

We besloten ons nummer daarover te laten gaan. Hoe het is als je niet anders kunt dan loochenachtig zijn.

We hadden maar kort de tijd. De opname met de minste fouten hebben we gebruikt. En daar zitten er nog een hoop in. Maar we blijven trouw aan het concept. Ook deze komt op de site. ‘s Middags een man en ‘s middags nog steeds een man. Tenminste, zo denken wij erover.

Steeds minder hard

Samen met: René
Luister het hier: steeds minder hard

Datum: vrijdag 26 augustus
Begintijdstip: 10.45 uur
Klaar: 16.15
Drinken: 2 thee, 3 water en 1 sap
Eten: 2 maria kaakjes, twee boterhammen en een beschuitje

En hoe ging het allemaal in z’n werk?

In de bus naar Nieuwkoop had ik een spraakzame buschauffeur. Hij vertelde dat ze tegenwoordig vanuit de centrale precies kunnen zien wat hij uitvoert. Vroeger reed hij in een verloren uurtje wel eens met de bus langs huis om een kopje koffie te drinken. Daar kwam dan niemand achter. Totdat hij een keer weer terug aan het werk wilde gaan. En de bus niet startte. Die kar stond compleet uit de route. Voor zijn eigen woning. Moest hij een monteur laten komen. En ook maar even uitleggen hoe dat ding op die plek terecht was gekomen. Toch frappant: je bent ongehoorzaam en juist dán gaat er iets mis dat normaal altijd goed gaat… De chauffeur vertelde nogal grappig hoe hij zich uit die benarde situatie had weten te kletsen.Toen ik dat aan René vertelde, herinnerde hij zich een moment toen hij nog klein was, waarin hij aan zijn ouders moest vertellen hoe hij nou aan die appel kwam, die hij in zijn hand had. Geplukt, zei hij. En hoewel zijn ouders al lang door hadden dat dat onmogelijk kon, bleef hij steeds nieuwe verklaringen verzinnen. En er zelf in geloven.

Dit eendagsliedjes concept verdraagt niet al te veel getwijfel en getreuzel. Dus daar moest ons nummer over gaan: dat je begint te vermoeden dat je iets gedaan hebt dat een ander kwaad maakt. En wat je dan zegt.
Ik had mijn tamboerijn meegenomen en was er zeer op gebrand om die tijdens de opnames ter hand te nemen. Je hoort hem prominent terug in de mix. Als je je afvraagt waarom hij een minuut voor het einde ineens is verdwenen: dat komt omdat ik het ding toch niet zo soepeltjes tegen mijn handpalm liet dansen als ik me had voorgesteld. Met andere woorden: ik hield het niet meer  vol. Een techniek van niks; veel te verkrampt. Je hoort de tamboerijn tijdens het outro op de grond vallen. En het scheelde niet veel of ikzelf was er van uitputting achteraan gestort. Op de foto die de verbetenheid waarmee ik de percussie verzorg…

Verder kan ik je verklappen dat het nummer vooralsnog niet echt een einde heeft. Dus als je blijft luisteren naar de monotone drumpartij, die je gedurende de laatste twee minuten hoort: er komt daarna niets spannends meer…

Onbewoonbaar

Samen met: Ton Herman
Luister het hier: Onbewoonbaar

Datum: donderdag 24 februari
Begintijdstip: 11.00 uur
Klaar: 20.00 uur
Drinken: 4 thee, 2 water en 1 sap
Eten: gevulde koek, drie boterhammen, een appel en een bord spaghetti met rode saus

En hoe ging het allemaal in zijn werk?
Ton Herman heeft een hoekje van zolder ingericht als studiootje. Dat betekent een halve vierkante meter ruimte per persoon. Ik moest soms het stemmingsmechaniek van de basgitaar in mijn gezicht dulden, maar ik deed het met liefde.

Gedurende de dag kwamen we erachter dat we elkaar soms verkeerd begrepen. TH komt van het conservatorium en ik ben autodidact. Toch bleken de misverstanden weinig schade aan te richten. Sowieso ontstaat de beste muziek die ik maak meestal door een verkeerd gepakt akkoord dat toevalligerwijs mooi klinkt…
Het eerste uur werden we geen van beiden erg enthousiast over de klanken die wevoortbrachten. Niemand zei het, maar dat voel je gewoon. Het schoot door mijn hoofd: als dit een lied oplevert dat niet om aan te horen is, zet ik het dan ook op de site?

Mooie secuur die TH aanbracht toen hij de dwingende, staccato aanslag op de piano losliet. De akkoorden die me in eerste instantie niet echt in beweging zetten, veranderden nu in een springkussen waar mijn stem gewoon op móest. De landerige stemming was weg. Elk nieuw idee was raak. Achterop de wagen laden en met volle vaart de middag in.

Het leek wel een beetje op een kookwedstrijd die ik laatst zag. ‘You have two minutes left!’ Zo probeerden wij alles op de band te krijgen voordat Wendy de spaghetti op tafel zette en de kinderen hun dvd hadden gezien. Het lukt niet. Na het eten nog even naar boven om de percussie en wat andere tierelantijntjes in te spelen, en klaar.

Het was al donker toen ik met de auto door het onverlichte Achterhoekse land reed, op weg naar huis. Mistflarden schampten de voorruit en achterin begonnen twee jongetjes langzaam in slaap te vallen. Ik liet de tekst van Onbewoonbaar nog eens door mijn hoofd gaan en bedacht dat sommige zinnen, die me in eerste instantie logisch toeschenen, voor de luisteraar misschien als complete wartaal moesten klinken. ‘Het laadt alleen maar door tot aan het eind…’ In een vroeg stadium wilde ik de metafoor van elektriciteit helemaal doortrekken en was het: ‘het laadt alleen maar op’, waarmee ik doelde op de frustratie van de verteller. Later verdween dat naar de achtergrond en probeerde ik te refereren aan een kogel (de zin waarmee hij haar de bons geeft) die doorgeladen wordt in een pistool. Maar pas nu drong het tot me door dat de luisteraar hoort: ‘het laat alleen maar door’. Wat laat wat door? Goeie vraag. Ik ben benieuwd of iemand een interpretatie kan bedenken die deze zin in dit lied kan rechtvaardigen…

Maar allez, dit is het concept van de eendagsliedjes. En ik hou ervan. Elke sessie geeft me een goed humeur dat minstens drie dagen aanhoudt. Dat is wat muziek met me doet…

Mij te lang

Samen met: Peter
Luister het hier: Mij te lang

Datum: dinsdag 16 februari 2011
Begintijdstip: 10.00 uur
Klaar: 14.30 uur
Drinken: 2 thee, 1 water, een grapefruitsap
Eten: tosti

En hoe ging het allemaal in zijn werk?
Peter heeft een onorthodoxe manier van tosti’s maken. Een dubbele boterham met kaas in de koekenpan en dan het vuur eronder. De pit stootte de vlam uit met een huigachtig geluid en wij praatten over het feit dat bands bij De Wereld Draait Door niet meer dan een couplet en een refrein mogen spelen. Omdat het publiek niet de aandacht kan opbrengen voor een song van vier minuten. Of omdat de redactie van het programma dat veronderstelt.

Terwijl de tosti aanbrandde – wat me misschien niet erg verbaasde – hadden we het over een filmpje van Neil Young, dat ik op Facebook had gezet. Het lied duurde 9 minuten en ik wist bijna zeker dat, áls er al iemand op de link had geklikt, hij ruim voor deindrukwekkende gitaarsolo op de helft van het lied, zou zijn afgehaakt.

Peter vertelde me over een filmpje dat hij op Youtube had gezien waarin Young tijdens een concert ‘A day in the life’ van The Beatles zong, en dat in het midden van het nummer Paul McCartney naast hem opdook om mee te zingen.

Dus we  besloten een nummer te maken met als titel ‘Dit duurt mij te lang’ en dat we als uitgangspunt de akkoordenreeks van ‘A day in the life’ zouden nemen. In de uiteindelijke versie zijn die akkoorden ook nog te horen. Ik ben benieuwd of iemand kan horen waar.

De gitaren uit de hoes en dan spelen in een roes. Ik heb een geweldige dag gehad. Zelfs het moment dat mij een stuk ijzerdraad om  mijn middel werd gespannen bracht me nauwelijks van mijn stuk. Er zat een brom in het snoer van mijn gitaar, die alleen onderdrukt kon worden als de plug vastzat aan het draad, dat vervolgens weer in contact moest zijn met mijn blote vel. In het boek De oorlog van het einde van de wereld voert Vargas Llosa de profeet Antonio Maciel op. Een charismatische, dwergachtige figuur, die bij wijze van zelfkastijding een stuk prikkeldraad om zijn middel draagt. Zwerende wonden, ingroeiend ijzer; dat werk. Zo heroïsch was het allemaal dus niet, maar toch ging er voor mij een zekere mystieke kracht uit van gordel die ik tijdens het spelen droeg.

Grofweg hield Peter zich bezig met de akkoorden, ik met de tekst, wij samen met de zanglijn en Peter met de opname, de mix en het editten. David: zang, akoestische gitaar. Peter: zang, elektrische gitaar, basgitaar, drumcomputer.

Luister naar Peter in de band The Charlies (hij is de man die intiem wordt met de vis. Zit wel redelijk op het eind, dus ik hoop dat je het redt…)

 

Zaakjes voor elkaar

Samen met: Toon
Luister het hier: Zaakjes voor elkaar

Datum: vrijdag 3 december
Begintijdstip: 14.00 uur
Klaar: 16.30 uur
Drinken: 2 thee
Eten: 4 geroosterde boterhammen

En hoe ging het allemaal in zijn werk?
We hadden elkaar al zo lang niet gezien dat Toon verbaasd uitriep dat ik een sík had, toen ik zijn woning binnen ging. Mijn sik is me inmiddels zo vertrouwd, dat het voelt alsof ik hem al jaren draag.
Tijdens de geroosterde brood kwam ter sprake dat ik mijn huis uit moet en vertelde ik maar weer een keer het hele verhaal over hoe dat zo gekomen is. Een halfuur later hadden we het over Toons nieuwe badkamer die hij erin had laten zetten en vroeg ik verbaasd of dit misschien zijn eigen woning was. Hij antwoordde met ja, en na wat doorvragen van mij voegde hij eraan toe dat hij 350 euro per maand kwijt was aan hypotheek. Hij sloot af met: ‘En dat is dus erg weinig…’
Vooral dat laatste vonden we allebei erg grappig. Het idee ontstond om een lied te maken over een man die een vriend op bezoek krijgt die diep in de problemen zit. En dat die man dan alleen maar gaat zitten uitweiden over hoe goed hij zijn zaakjes wel niet voor elkaar heeft, zonder de ander te helpen…

Rolverdeling: Toon op de gitaar en ik zingen en de tekst op papier zetten. Tussendoor even het dingetje opnemen om te luisteren of het wel ergens naar klonk en wat improvisaties inzingen. Aan het eind in een keer de song opgenomen.

Meer informatie over Toon: www.drumbo.nl