‘Ik ben best bereid om dingen voor je te doen, maar dat gaat me een beetje te ver’

Utrecht, Anthoniedijk, 15 april 2013, 21.00 uur

Waarom ik daar liep, op de Anthoniedijk, was terug te voeren op een jas die ik vorige herfst had gekocht. Een modern ding, met flappen die de boven- en onderkant van de rits bedekken. Omdat ik in vrijwel niets modern ben en ik vond dat het maar eens tijd werd, besteedde ik er een modern bedrag aan, iets waar ik normaal gesproken te belazerd voor ben; ik moet even buiten mezelf getreden zijn in die winkel.

Een tussenjasje, te koud voor de winter; te warm voor de zomer. Ik had het na aanschaf maar een paar keer kunnen dragen en nu verheugde ik me er al een maand op om dat opnieuw te doen. Maar het bleef aanhoudend bitter koud in de stad, eind maart, begin april. En ineens, dit weekend, na een nachtelijk uitgevochten meteorologische blitzkrieg, was het twintig graden. Een zondags tochtje door het ommeland moest ik al na een kilometer zwetend onderbreken; het kekke jasje in de fietstas.  Ik zag het dragen ervan met een droef voorgevoel over de zomer heen getild worden. Op z’n hoogst post modernistisch, zou ik zijn.

Maar ik was strijdvaardig, deze avond. Ik zocht en vond een reden om de straat op te gaan in de ideale, twaalf graden tellende avondschemer. Hoe vaker je een kledingstuk draagt, hoe goedkoper het per keer wordt, nietwaar. Lopend bracht ik een contract dat ik ondertekend had naar een adres op een kwartiertje gaans.

‘Ik ben best bereid om dingen voor je te doen, maar dat gaat me een beetje te ver,’ zei een moeder met zo’n zestig kilo overgewicht tegen haar dochtertje met een roze jurkje. Het meisje trok haar schoenen aan op de stoep. Verderop stonden jongeren om een auto waar harde muziek uit klonk.

Ik wist niet wat de dochter van haar moeder gevraagd had. Iets dat te ver ging, kennelijk. De uitspraak deed me denken aan eerder op de avond, toen ik bij mijn ex was, om te overleggen over mijn zoons verjaardag, de dag daarop. Ik had, volgens de afspraak, de ingrediënten voor de schooltraktatie gekocht en zij zou de dadeltaart bakken. Daar was ze ook mee bezig. Stuifmeel en chocolade vegen in haar gezicht, waarin de vermoeidheid van te veel verjaardag beslommeringen stond te lezen. Het aanrecht was een grillig landschap van kommen en mixers.

Eigenlijk had ik haar moeten helpen. Even koken voor de kinderen of de keuken opruimen. Maar ik had geen zin. Ja, ik was best bereid om dingen voor haar te doen, zoals ook de zwaarlijvige moeder op de Anthoniedijk haar dochter verzekerde. Maar kennelijk was ik tegelijkertijd helemaal niet bereid om dingen voor haar te doen.

Ik schatte het kind op de stoep een jaar of negen. Net zo oud als mijn zoon, nu nog een paar uur. Maar hij lag op dit tijdstip al te slapen, dus waren het geen uren, die hem scheidden van zijn verjaardag, maar niet meer dan  een vingerknip. De tijd zou pas weer gaan lopen bij het openen van zijn ogen. En dan was hij het. Tien. Als een winter die direct overgaat in zomer.