‘Bij al het leed dat hij had, kreeg hij ook nog de hik’

Ik was een kwartier te vroeg bij Swaak. Ze waren nog niet open. De medewerker die ik herkende van de vorige keer dat ik er was, kwam tegelijk met mij aanfietsen. Op mijn verzuchting dat ik me dan maar vijftien minuten moest zien te vermaken, antwoordde hij dat dat voor hem ook gold. En dat hij daartoe sigaretten had meegenomen. Ik zou op eigen kracht iets moeten verzinnen.

Ik liep over de Choorstraat richting de Steenweg, in een slentergang waarvan ik me afvroeg waarom ik die niet wat vaker inzet. De zaterdag ochtend was koel maar zonnig. De herfst stond in de coulissen te wachten op het juiste moment om op te komen.

Een koppel van ergens in de vijftig zette zich juist in beweging na voor een etalage te hebben stilgestaan. De man droeg een rode broek en had een gebruind hoofd. De vrouw was een heel stuk kleiner, droeg een grote zonnebril met daarboven een zonwerende klep. Beiden keken een andere kant uit en tastten naar elkanders hand.

C.C.S. Crone

Na wat grijpen in het luchtledige, zonder in de gaten te hebben dat ze niet eens bij elkaar in de buurt grepen, kreeg de vrouw de ingeving om toch maar even te kijken. Ze pakte haar mans hand.

Hij was inmiddels begonnen met praten. ‘Bij al het leed dat hij had,’ zei hij. Ik kon aan zijn stem niet goed horen of er een afkeurend of een medelevend vervolg op die eerste woorden zou komen. ‘… kreeg hij ook nog de hik’, ging hij verder.

Inmiddels had ik besloten een schoenlepel te gaan kopen. Een voorgenomen aanschaf die al een tijd op het krijtbord in de keuken stond.

En ook drong het tot me door waarom ik de intonatie van de man niet vond passen bij de woorden die hij sprak.

Hij citeerde.

Op een blinde muur op de Donkere gaard staat een fragment uit een verhaal van C.C.S. Crone. Daar had de man het over. Onderweg naar de schoenmaker probeerde ik te bedenken hoe de tekst werkelijk ging. Want de man met de rode broek, met het gebruinde gezicht en het grijze, sluike haar dat hij naar achteren droeg, die de hand vasthield van een vrouwtje met de zonnebril en klep, zat wel in de buurt, maar de precieze formulering ging anders. Er schuilt een betweter in mij, die nu met de tekst aan de haal ging. ‘Op de Donkere Gaard stond hij stil. Nu had hij ook nog de hik gekregen.’ Dat was de versie waar ik na intensief peinzen op uit kwam. En dan inderdaad iets met ellende, maar dan niet het woord ‘ellende’.

Zo moest het dan maar zijn. Ik liet me bij de schoenmaker de twee modellen schoenlepels tonen. De dure, tien euro, met het lange handvat. Of de kleine, voor nog geen vijf. Deze net niet herfstige zaterdagochtend, met dit prettige, kleine kwartiertje dat mij in de schoot geworpen was, verdiende geen beknibbelen op uitgaven. Ik koos de lange lepel.

Op de weg terug naar Swaak liep ik een klein stukje om. Het was de Lichte Gaard, niet de Donkere, moest ik vaststellen toen ik bij de muur met de Crone zinnen aankwam. En van de rest van het citaat had ik ook weinig meer terecht gebracht dan de man die tastte naar de hand van zijn vrouw.

Ik las de heerlijke zinnen: ‘Later stond hij in de Lichte Gaard naar de sterren te kijken. Nu had hij bij zijn verdriet nog de hik gekregen.’

Toen ik thuis kwam deed ik mijn schoenen uit en meteen weer aan, met een gemak dat me tevreden stemde. Toen liep ik naar mijn boekenkast, op zoek naar De Schuiftrompet, van C.C.S. Crone.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

vier × 1 =