‘Hij moet niet vaak gevochten hebben, hij moet goed met zijn familie om kunnen gaan en hij moet een goede baan hebben.’

Ik hoorde een meisje achter me deze woorden zeggen toen ik de supermarkt verliet. Ik heb niet omgekeken. Voor het mysterie. De zin liet ik door mijn hoofd spelen; hij kaatste in z’n volle lengte heen en weer. Dat moest ook wel, want ik had geen pen en papier bij me. Gedurende het ritje op de fiets, van de winkel tot mijn huis, repeteerde ik de drievuldigheid waaraan deze nieuwe geliefde zou moeten voldoen.

Na het eisenpakket van de ongeziene dame zo’n vijftig keer voor me uit gezongen te hebben, drong het tot me door: ik zou zeker bij haar in de smaak vallen. Jazeker, jij stem zonder lijf, louter trilling in de lucht; je hebt het hier over mij! Als ik niet zo zeker wist dat je zojuist, net als ik, de winkel had verlaten, dan zou ik nu meteen omgekeerd zijn. Ik was naar je op zoek gegaan tussen de schappen en had me aan je voeten geworpen. Stop met zoeken. Ik ben je man.

Ik voldoe op alle fronten. Om met het vechten te beginnen: ‘niet vaak’ is in mijn geval een understatement. Mijn knokkels zijn ongeschonden. Mijn neusbeen ook. Niemand ziet zo snel een gevecht aankomen als ik. En niemand weet zich zo snel uit de voeten te maken.

Behalve als ik droom. In mijn slaap ben ik wreder dan Atilla de Hun. Werkelijk, ik steek vijanden met lange vleesmessen in het hart. Ik tuig ze af met loden staven. Soms word ik wakker en ben ik verward en geshockeerd door het geweld dat de neuronen in mijn hoofd me voorgeschoteld hebben. Maar dat telt niet, toch, meisje?

Voorbehoud twee, dan. Familie. Kan ik uitstekend mee omgaan. Ja, hoor, altijd gezellig. Geen wanklank; ik zou niets kunnen bedenken. Of het moet zijn dat ik rond kerstmis altijd zo vreemd gedeprimeerd raak. Dat ik soms hun verjaardagen vergeet, heel vreemd. Maar daar hoef je je geen zorgen over te maken, dat zit allemaal veilig onderhuids, jij onbekende vrouw.

Ten derde, een goede baan. Laat ik je geruststellen. Ik heb de beste baan die er bestaat. Opstaan: zelf weten. Geldt ook voor de opdrachten die ik wel of niet aanneem. Uitdagend werk; steeds maar het hoofd boven water zien te houden in de woeste golven van mijn inspiratie. Bovendien, altijd thuis om voor de kinderen te zorgen, klusjes in huis, de loodgieter binnen laten… Ja, oké, soms wat lichte paniek als de bankpas even niet meer werkt. Misschien incidenteel een weekje wat minder vaak uit eten of sporadisch een maaltijd overslaan. Het komt wel goed, schat. Het komt altijd weer goed.

Ik ben je gedroomde prins. Tot we hoogbejaard zijn blijven we samen. Ik heb maar een paar puntjes: geen lipstick, geen peuken, geen stopwoordjes, geen voice of holland, geen smetvrees, nestdrang, achterdocht, neukangst, kletspraat, plaat zeggen in plaats van gezicht, giechel in plaats van mond, geen stadionverbod, geen verwachtingen, geen trouwplannen, geen moeilijke gesprekken of slaapverwekkende verhalen.

Ik kom je halen. Ik slinger je over mijn schouder.

Ik ben van jou.

Eén antwoord op “‘Hij moet niet vaak gevochten hebben, hij moet goed met zijn familie om kunnen gaan en hij moet een goede baan hebben.’”

  1. Ik heb genoten van dit verhaal! Super zo’n fantasie!! Ik ga dit zeker ook eens uitproberen! Bedankt voor de leuke tip!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

zeventien + 11 =