‘In dat team zou ik dan wat meer, tja, precies wat Bart al zegt…’

Utrecht, Hopakker, 21 mei 2011, 16.33 uur.

Als je wandelt zie je meer. Het ommeland trekt trager aan je voorbij en als je iets opvalt, kun je binnen een halve tel stil staan om het rustig te bekijken. Op de fiets moet je eerst afremmen en daarna de te ver doorgeschoten afstand weer terug afleggen. Vaak is dat vooruitzicht voldoende om het maar helemaal te laten. Veel blijft ongezien, tijdens fietstochtjes.

Behalve als ik met mijn kinderen ben, natuurlijk. Die hebben geen moeite met stoppen en terug gaan, als er een kleurig elastiekje op straat ligt. ‘Nee, we rijden door,’ zeg ik meestal streng. Waarna er zo’n gedrein en gemekker losbreekt dat ik, om er vanaf te wezen, toch maar toegeef. Mokkend leun ik op mijn stuur terwijl ze de – inmiddels – 200 meter terug rijden om het vieze ding op te rapen.

Ik heb voldoende opvoedkundige principes. Soms voel ik me een buitenstaander die verwonderd toekijkt hoe ik ze te grabbel gooi.

Misschien had ik mezelf afgelopen zaterdag moeten toestaan om terug te lopen. Had me waarschijnlijk een prachtig citaat opgeleverd. De eerste zin die ik hoorde, verstond ik maar half. ‘Gewoon een beetje borrelen,’ was een fragment dat ik dacht op te vangen. Ik was nog te ver weg van de drie jongens die voor de voordeur zaten om het goed te horen.

Twee van hen zaten op stoelen die ze op de stoep hadden gezet, eentje op een scooter. Die laatste was aan het woord. Hij zei: ‘In dat team zou ik wat meer…’ Ik spitste mijn oren terwijl ik langs liep. Ik vertraagde mijn pas. Maar op dat moment vertraagde er ook iets in zijn spreken. Hij weifelde en liet een stilte vallen. ‘Tja…’ ging hij verder, ‘precies wat Bart al zegt…’

Nu was het aan mij. Ging ik werkelijk stil staan om de rest van de zin te horen? Wat had Bart al gezegd? En welke rol zou de jongen op de scooter in dat team gaan vervullen? Prangende vragen. Maar afluisteren is onbeleefd.

Ik had kunnen knielen en veinzen dat ik mijn veter strikte. Ik had ook gewoon terug kunnen lopen. Opnieuw langs de jongens die daar zaten, met flesjes bier in de brandende zon. Dat is toch niet verboden? Over de stoep lopen en dan terugkeren. Het zou best kunnen dat ik thuis iets was vergeten….

Maar ik liep verder. Het kind in mij, dat dreinde en mekkerde, heb ik genegeerd. Jammer genoeg ben ik strenger voor mezelf dan voor mijn zoons.

En nu moet ik het doen met speculatie. Ik denk zeker te weten dat er een of andere verwaande opmerking tussen zijn studentenlippen vandaan zou komen. Dat hij in dat team wat meer… tja, zoals Bart al zei, een leidinggévende rol zou gaan vervullen. Dat hij daar, hoe moet je het omschrijven, de lijnen uit ging zetten.

Een zin als een kleurig elastiekje. Maar ik heb hem laten liggen.

‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’

Utrecht, Vismarkt, 4 april, 16.37 uur.

In Utrecht heb je de Oudegracht. Het zou met gemak de bekendste straat van de stad kunnen zijn, ware het niet dat slimme middenstanders op de Neude en het Vredenburg zich in 1935 hebben ingekocht in het bordspel waarbij vergissingen van de bank in uw voordeel uitvallen.

Eigenlijk heb ik het altijd een beetje vreemd gevonden dat de makers van dat spel het vanzelfsprekend vonden dat je dat geld dus houdt. Ik zou het meteen teruggeven. Dat klinkt misschien nogal braaf, maar ik heb een keer vierhonderd gulden verbrast in de binnenstad, nadat een verzekeraar het om onverklaarbare redenen op mijn rekening had gestort. Natuurlijk werd mij daarna vriendelijk gevraagd het bedrag terug te geven. Ik heb drie maanden lang moeten leven als Van Gogh om aan dat verzoek te kunnen voldoen.

Generaties monopoly spelers zullen jarenlang onder curatele gesteld zijn, omdat ze van dat vergissingsgeld vrolijk huizen en hotels op de Neude en het Vredenburg hadden laten bouwen.

Ik heb persoonlijk een zwak voor de Oudegracht. ’s Nachts drijven de lichtjes in het rimpelige water. Je fietsbel rinkelt vrolijk terwijl je over de straatstenen rijdt, die losjes onder je wielen kobbelen.

Bovendien is het een van de weinige straten waarvan ik de naam weet. Ik woon al twintig jaar in deze stad, maar nog steeds moet ik elk adres opzoeken op de plattegrond. Ik verslijt ongeveer een stadskaart per jaar. Maar de Oudegracht gaat nog net. Hoewel de Utrechtse gewoonte om het moeilijker te maken dan het is ook hier heeft toegeslagen.

Om een voorbeeld van die gewoonte te geven: vanaf het station tot het Wilhelminapark loopt een lange straat. Lekker makkelijk, zou je denken. Een ijkpunt, waar je je toe kunt verhouden als je de weg zoekt. Maar niet in Utrecht. Die ene, lange straat heet achtereenvolgens (ik sla mijn versleten kaart voorzichtig open, opdat hij niet scheurt): Smakkelaarsveld, Vredenburg, Lange Viestraat, Potterstraat, Jansstraat, Janskerkhof, Nobelstraat, Nachtegaalstraat en Reigerstraat.

De Oudegracht lijkt een makkie, maar ter hoogte van de Dom heet hij heel even het Wed. En honderd meter verder, als de weg omhoog gaat richting het stadhuis, hangt een straatnaambord met ‘Vismarkt’. Daarna wordt het weer net zo gemakkelijk Oudegracht.

Over deze Vismarkt fiets ik vaak. Behalve de afgelopen maanden, omdat ze bezig zijn met iets in de grond. Je moet afstappen en met de fiets aan de hand door een smalle doorgang, die ook door het langzaam voort sjokkende winkelpubliek wordt gebruikt.

Dus om die Vismarkt te omzeilen ga ik door het winkelgebied, waar je niet mag fietsen. Ik houd er niet van de verkeersregels te overtreden. Vreemde eigenschap, misschien. Bij dat racen door de winkelstraat verwacht ik elk moment politiepetten uit de mensenmassa te zien opdoemen. Dus de laatste keer besloot ik toch die nauwe doorgang te nemen. Ik had geen haast, hoewel dat vreemd genoeg bijna nooit een reden is om rustig aan te doen. Dit keer wel. Je moet niet al je handelen proberen te begrijpen.

De Vismarkt gaat lichtjes bergafwaarts, richting het Wed. Het prijsgeven van gratis verkregen snelheid kost me gewoonlijk vrij veel moeite. Ik jaag voetgangers en fietsers de stuipen op het lijf omdat ik weiger af te remmen. Maar nu was van geen snelheid sprake en ik sjokte in de rij winkelend publiek met de fiets aan mijn hand. Een jongen, begin twintig, liep in tegenovergestelde richting. We raakten elkaar bijna tijdens het passeren. Hij praatte in een mobiele telefoon.

‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’

Hij klonk begaan met de man die hij aan de lijn had. Hij lachte en schudde zijn hoofd. Zijn haardos schudde mee. Alles aan hem was jong. En nog sympathiek ook. Inlevend. Een combinatie die ik nooit van de grond heb weten te tillen, toen het aan de orde was.

Toen ik de hekwerken om de opengewerkte straat voorbij was, fietste ik verder. Een man, die dacht dat het een voetgangersgebied was, maakte zich breed en liep expres in mijn richting. Ik ontweek hem en besteedde de volgende paar minuten aan de formulering waarmee ik hem op de coolste manier zou duidelijk maken dat híj het bij het verkeerde eind had.

‘Hé man, waar zie jij een bord waarop staat dat je hier niet mag fietsen?’

‘Jij komt zeker van buiten, vriend? Ga stoer doen in je eigen dorp.’

‘Heb jij je verkeersdiploma wel gehaald, in de zesde?’

Erg bijdehand ben ik nooit geweest. Hoeft ook niet. Liever ben ik als de jongen met het mobieltje. ‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’ Dat was eigenlijk de beste reactie geweest. Op zo’n beetje alles, bedenk ik me nu.

‘Ik heb nog nooit zo veule verdiend, jongen’

Zwolle, Kerkstraat, 1 juli 2011, om 19.01 uur

Ik liep over de stoep vanaf Zwolle Centraal naar het huis van mijn ouders. Elke keer als ik over de Wilhelminasingel kom, moet ik denken aan een moment tijdens mijn rijexamen, twintig jaar geleden. Ik reed daar en dacht dat ik te dicht langs een fietser ging. Ik schrok. Zweet prikte door mijn hoofdhuid. De examinator keek niet op of om. Een uur later had ik mijn rijbewijs.

We beleefden hetzelfde moment, de examinator en ik. Hij was zich niet eens bewust dat het een moment was. Ik denk er nog een paar keer per jaar aan.

Nu stond, in diezelfde straat, een vrouw met een fiets. Dwars op de stoep. Ze praatte met een baardige man. Hoewel ze me wel aan zag komen lopen, ging ze niet aan de kant, waardoor ik over de rijweg moest om ze te passeren. Ik maak er een sport van om met een zo neutraal mogelijk gezicht de consequenties te aanvaarden van stom verkeersgedrag van anderen.

De sociale omgang in het verkeer is sowieso een onderwerp dat me bezighoudt. Nog geen twee minuten daarvoor was ik overgestoken op een zebrapad op de Assendorperstraat. Een Nissan was in volle vaart, maar remde om me over te laten steken. Ik denk misschien te veel na over de dingen, maar de vraag of ik een gebaar naar de bestuurder had moeten maken voor de voorrang die hij verleende, hield me nog een paar honderd meter bezig.

Enerzijds wel prettig dat hij voor me stopt. Maar als we nu ook al waarderende handgebaren naar elkaar gaan maken omdat iemand zich gewoon aan de verkeersregels houdt, kunnen we wel bezig blijven.

Op de Wilhelminasingel kreeg ik daarvoor dus meteen de rekening gepresenteerd, door de vrouw met de fiets die me negeerde. Het was mijn verdiende loon. Maar toch wilde ik haar straffen voor haar lompe gedrag. De zin die ik opving – ‘Weet je, we bellen wel en dan maken we dan wel een afspraak’ – zou ik niet gebruiken als aanleiding voor een stukje. Dat zou haar leren. En ik hoopte dat de baardman haar nooit zou bellen voor die afspraak.

Nog geen vijftig meter verder kreeg ik overigens alsnog mijn eenzame zin toegeworpen. Het was vlak bij mijn ouders’ huis. Er staat daar een bankje, waar mannen van boven de zestig op zitten. ‘Hang-ouderen,’ noemt mijn moeder ze. Het bankje is maar klein, en de rest van de mannen met petten op hun kale schedels stond eromheen.

Ook een lid van dit groepje keuvelende mannen versperde de stoep met zijn fiets. Blijkbaar hadden mijn slechte gedachten over de onachtzame vrouw geen nieuwe deuken in mijn karma opgeleverd, want deze corduroy heer schoof zijn fiets wel degelijk aan de kant. Terwijl ik voorbij liep, hoorde ik een man op het bankje zeggen: ‘Ik heb nog nooit zo veule verdiend, jongen’.

Toen ik  dit vertelde aan mijn moeder zei ze: ‘hij zal het wel over zijn aow hebben gehad’.

‘Dag lieve vader, gefeliciteerd!’

‘Dag lieve vader, gefeliciteerd!’

Ik had mijn jas open terwijl ik naar de school van mijn kinderen fietste, hoewel het daar eigenlijk te koud voor was. De zon stond laag en scheen fel. Het meisje dat me tegemoet liep droeg een dure zonnebril. Haar lach spande zich over de volle breedte van haar gezicht, terwijl ze in haar mobiele telefoon zei: ‘Dag lieve vader, gefeliciteerd!’

Mijn eerste schrikreactie was een haastig nagaan of het vandaag misschien Vaderdag was. Een vrij onbenullige gedachte omdat 1) ik geen flauw idee heb op welke datum Vaderdag zou moeten vallen en 2) mijn vader niet zou weten wat hem overkwam  als ik met zo’n uitspraak aan de telefoon kwam.

Het idee tekort te schieten is me zo vertrouwd dat ik er reflexmatig mijn toevlucht toe neem. Ook als er geen reden toe is. Het meisjes was jong, had een gave huid en was ongetwijfeld lid van het studentencorps. Mijn instictmatige reactie maakte me duidelijk dat ik het altijd zal afleggen tegen de aristocraten. De underdog positie zit in mijn DNA verankerd.

Vroeger zei ik vaak tegen mijn moeder dat ik het oneerlijk vond dat er wel een Vader- en Moederdag bestond, maar geen kinderdag. ‘Het is elke dag kinderdag,’ antwoordde ze dan. Ik was altijd erg ontevreden met dat antwoord. Toen ik zelf kinderen kreeg, schoot die zin soms weer door mijn hoofd.

Ik was inmiddels alweer dertig meter verder. Het meisje had zichzelf met haar lach van elastiek naar het achterland gelanceerd. De erren in ‘vader’ en ‘ gefeliciteerd’, langgerekt en gepolijst, resoneerden nog na in mijn hooft. Haar spijkerbroek zat gegoten om haar benen, de hakken van haar laarzen klakten ritmisch, strak op de tel, tegen de stoeptegels.

Haar leeftijd schatte ik precies tussen die van mezelf en van het jongetje dat ik was toen ik op de kleuterschool een plankje bestempelde met in rood, geel en blauw gedompelde spijkerkoppen. Later werden daar haakjes in geschroefd waardoor het een sleutelplankje voor aan de muur werd. De juffen leek dat blijkbaar een attribuut waar de gemiddelde vader wel behoefte zou hebben. Ze hebben gelijk gekregen, want het hangt nog steeds in het halletje van mijn ouders’ huis. Hoewel het natuurlijk best kan dat mijn moeder zich daarvoor ingezet heeft.

In mijn eigen huis heb ik aan de muur een soortgelijk plankje, waar een wasknijper op gemonteerd is. Er staat de afdruk van de linker hand van mijn oudste zoon op, gemaakt toen hij nog een baby was. Het is om brieven onder te klemmen die ik nog moet afhandelen. Ik gebruik het al bijna tien jaar intensief.

Nog af te handelen brieven moffel ik het liefst zo ver mogelijk weg, om maar niet geconfronteerd te worden met mijn neiging zaken pas aan te pakken als het al te laat is. Maar áls ik dan besluit me ermee bezig te houden, dan wil ik ze ook in een fractie van een seconde kunnen vinden.  Duurt het langer, dan bestaat de kans dat ik weer van gedachte verander.

Het meisje met haar lach van elastiek en haar erren van speksteen heeft zulke problemen niet. Ik weet het zeker. Ze is stipt in het onthouden van haar verwekkers verjaardag. Van Vaderdag ook. Het kado ligt al klaar. Een vergulde briefopener.

‘Ze zegt wel dat jullie niet hebben gebeld enzo…’

Utrecht, Rijnlaan, 26 januari, 9.35 uur

Vroeg in de ochtend moest ik met mijn zoontje van zeven naar de schooldokter. Die dokter komt niet naar school, zoals de naam misschien doet vermoeden, maar daar moet je heen. Vijf komma tweeëntwintig kilometer fietsen, om precies te zijn. In mijn beleving is Utrecht een dorp. Ik ga er standaard vanuit dat het overal naartoe een kwartier fietsen is. Dat is niet zo en dat heb ik al een keer of vijfentachtig moeten ondervinden.

We wachtten voor een stoplicht. Mijn zoon wilde graag op de knop drukken. Twee meisjes met hoofddoeken stapten uit de bus en passeerden ons. Iets in hun lichaamstaal maakte me alert. Vooral de wat dikkere, die aan het woord was, had mijn aandacht: vinnige bewegingen, strak getrokken lippen, toegeknepen ogen en een wijsvinger die tijdens het praten door de lucht danste als de piemel van een badmintonnende nudist.

Ik spitste mijn oren, want alle uiterlijke kenmerken wezen maar in één richting: roddel. Ik kan nog zo mijn best doen om niet te praten over andere mensen als ze er niet bij zijn. Ik laat me kennen als de grootste braverik van de stad als ik gesprekspartners afkap die dat wel doen. Maar dat is aangeleerd gedrag. Ik vertoon nu een intuïtieve, menselijke reflex. Ik wil alles horen.

Ik heb de afgelopen vijftien minuten een monoloog van mijn zoon voorbij horen komen over Narnia deel een, twee en drie, waarvan hoegenaamd niets tot me doorgedrongen is. Hij deed me chronologisch de gehele verhaallijn uit de doeken. Ik zei ‘ja’, ‘o?’ en ‘sjonge!’ op gezette tijden, terwijl ik dacht aan turftechnieken, aan een blog die ik wil schrijven en aan de planning voor de rest van de dag.

En nu ben ik een en al aandacht voor twee zestienjarige moslima’s die het hebben over iemand die ik niet ken en nooit zal kennen. Uit het verkeersgedruis stijgt een zin op. ‘Ze zegt wel dat jullie niet hebben gebeld enzo…’ De zin is een vis die kort aan het wateroppervlak verschijnt. Even een schittering in het zonlicht, en weg…

Ik zou in Engelstalige landen mijn hart kunnen ophalen. Aan het sissende geluid van het woordje ‘she’ is het kwaadspreken gemakkelijk te herkennen.

Inmiddels hebben mijn zoon en ik het GGD gebouw bereikt. Hij vindt het vet dat het vlak naast het politiebureau staat.

In de spreekkamer moet hij zijn kleren uit. Er worden hem vragen gesteld. ‘Hoeveel fruit eet je op een dag? Hoeveel televisie kijk je? Hoe vaak zit je achter de computer?’ Ik luister nauwgezet naar zijn antwoorden. Ik hecht er belang aan om hem niet te corrigeren of aan te vullen. Het lukt me. Daarna moet hij zijn rug laten zien, moet hij voorover buigen en weer terug, wordt hij gemeten en gewogen. Ik weet niet of ik zijn spanning overneem, of dat ik me mijn eigen gevoel van vroeger herinner, bij de schooldokter.

‘Ik vond het leuk,’ zegt hij op de terugweg. Misschien omdat deze mevrouw wél luisterde naar wat je vertelde, schiet door mijn hoofd. We staan weer op hetzelfde kruispunt als waar ik op de heenweg stiekem de roddelzin afluisterde. Is afluisteren erger dan roddelen? Is weinig televisie kijken beter dan veel? Ben je een slechtere ouder als je de antwoorden van je kind nuanceert tegenover de schooldokter? Is het erg als de ene vriendin de andere niet gebeld heeft?

Ik vermoed dat het antwoord op al deze vragen ‘nee’ is. Maar die veronderstelling zou de wereld onhandelbaar saai maken. gespeend van elke soort van drama. Dus kies ik toch maar voor ‘ja’. Mijn zoon is aan het woord. En ik mijmer verder.

‘Weet je wat het is, hij is eigenlijk de smerigste man ter wereld.’

Utrecht, Van Humboldtstraat, 6 januari, 21.50 uur.

De Van Humboldtstraat was donker en nat. Ik fietste snel. Tijdens het laatste slaapwacht overleg was opnieuw gevraagd of de heren en dames slaapwachten meer hun best wilden doen om op tijd te komen. Niemand had specifiek mijn kant op gekeken. Terecht, want ik kom er vrijwel nooit te laat. Ook nooit te vroeg, trouwens.

Ik fietste voort en al op twintig meter afstand hoorde ik de twee jongens die voor het wijkcentrum stonden tegen elkaar praten. Ik zag ze niet, omdat ze verscholen waren achter de zuil waar het afdakje op rustte. Afgezien van hun stemmen, met zware zetten en harde g’s was de straat stil.

‘Weet je wat het is,’ zei de lange. Hij plantte zijn voeten nog wat verder van elkaar in de stoeptegels. De jongen naast hem, die rokend op een scooter zat, keek van onder zijn wenkbrauwen naar hem op. De lange spuugde op de grond voordat hij verder ging. Met zijn tong drukte hij zijn speeksel tussen zijn twee voortanden naar buiten en het spritste weg, met een flauwe boog door het straatlantaarnlicht.

Ik stopte met trappen. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik het einde van een verwachting opwekkende zin zou missen. Onlangs nog: twee Utrechtse vrouwen op straat. Ze hadden allebei de fiets aan de hand. De een voerde op hoge toon het woord en de ander knikte verwoed. Soms zie je aan de lichaamstaal dat er zaken besproken worden die ertoe doen. Ik kwam op de vrouwen toe gefietst met gespitste oren. En ik fietste ze voorbij. Het enige dat ik had opgevangen was: ‘Nou, enneh…’.

Dat ging me vandaag niet overkomen. Ook al kwam ik te laat bij mijn slaapbaantje, ik moest en zou iets substantieels meekrijgen. Ik had de twee nu duidelijk in het zicht.

‘Weet je wat het is,’ prachtig begin eigenlijk. Ik moet het eens opschrijven als ik ooit weer een toneelstuk maak. De spreektaal van een man die uit wil stralen dat je hem niets hoeft te vertellen. Deze jongen was amper zestien. Er valt hem nog van alles te vertellen. Maar hij vindt zelf uiteraard van niet. Hij vraagt zijn gesprekspartner of hij weet wat het is. Er vanuit gaand dat deze in de verste verte niet weet wat het is. Sterker nog, de spreker heeft niet eens zin om het antwoord af te wachten. Want zijn vriend op de scooter weet tocht niet wat het is.

Ik heb voldoende vaart geminderd om het vervolg van de zin mee te pikken. Om het tweede deel van de volzin op te vangen in de donkere avond en meteen weer druk op de pedalen te zetten. Om mijn banden te laten tollen en ze slissend de plassen op straat in tweeën te laten snijden. Ik heb de zin in mijn achterzak. Een kidnapping, professioneel uitgevoerd.

‘Weet je wat het is, hij is eigenlijk de smerigste man ter wereld.’ Zo is dat. En hij praat verder, de roddelaar, maar ik versta het al niet meer. Ik ben weg, met de smerigste man ter wereld op mijn bagagedrager. Wie hij is, weet ik niet. Ik zal het ook niet weten.

Nee. Ik weet niet wat het is.

‘Ja, dat is misschien nog mooier, inderdaad.’

Ooijpolder, 17 december 2010, 14.08 uur.

Nabij Nijmegen waren wij. Prikkend koude lucht, landschap wit van sneeuw. Ik had al jaren het verlangen de Ooijpolder te zien en nu kreeg ik het.
En ook weer niet.

De Ooijpolder droeg een wit masker en ik vroeg me af of ik bij thuiskomst kon zeggen dat ik het gebied kende, of dat ik in de zomer nog eens terug zou moeten om dat werkelijk te kunnen beweren.
De Waal was buiten zijn oevers, bomen stonden tot hun oksels in het water, ijs dat met Risken steeds maar dubbel zes gooit en hebberig het territorium uitbreidt.

Het was een magisch weekend dat ik en mijn vriendin daar beleefden. Het weekend van koude tenen, waarin trekvogels onophoudelijk in V formatie boven onze hoofden vlogen.
Iets van de spanning die hoort bij een grote reis daalde vanuit de lucht op ons neer. En er was gesnerp, gepiep en gekrijs: alsof een enorme houten machine met in elkaar grijpende raderen de gang van de tientallen pijlen in de lucht voortstuwde. Steeds weer nieuwe groepen vogels doemden op uit de witte verte.

Ik voelde me triest, een gevoel iets te missen door hier te blijven, terwijl zo velen het elders zochten. De saamhorigheid van in grote waaiers boven het land te vliegen. Ik ben Niels Holgersson in mijn gedachten.

Op de dijk stapten we elke twintig meter van onze fiets om foto’s te maken en in mijn hoofd ontstond een idee voor een kinderboek dat ik waarschijnlijk nooit zal schrijven. Ik kon desondanks niet stoppen erover na te denken. ‘Wat ben je stil,’ zei mijn vriendin.
Een jongen en meisje hielden er hetzelfde tempo op na als wij. Als zij stil stonden om iets te fotograferen, fietsten we ze voorbij; een stukje verderop gebeurde hetzelfde, maar dan omgekeerd. Net als bij ons reed de jongen op een vouwfiets en had het meisje fietstassen achterop.

We wisselden geen woord en ook geen blik als we elkaar passeerden. Wel hoorde ik het meisje tegen haar vriend zeggen: ‘Ja, dat is misschien nog mooier, inderdaad.’
Het was een zin die meteen neersloeg in de doffe sneeuw. Als ik hem niet had opgeschreven was hij in een oogwenk bedekt door een nieuwe laag en had niemand er ooit nog van gehoord.

’s Avonds moesten we in het donker terug naar ons bed and breakfast. Eerst werd de lucht staalblauw, toen loodgrijs en uiteindelijk probeerde het inktzwart te worden. De sneeuw weerkaatste echter het maanlicht en het kostte ons niet de minste moeite onze weg te vinden over de kronkelende dijk zonder straatverlichting.

Over de Waal gingen traag de vrachtschepen. Ik zou er wat voor geven om in het donker in die stuurhut te zitten en naar de zachte stemmen uit de radio te luisteren. Heel langzaam dronken worden en denken aan mijn kinderen in het schippersinternaat…