Je weet niet wat ik denk

Samen met: Ermo
Luister het hier: Je weet niet wat ik denk

Datum: vrijdag 14 oktober
Begintijdstip: 14.45 uur
Klaar: 17.45
Drinken: 3 thee, 1 water
Eten: niets

Het was lang geleden dat Ermo en ik muziek hadden gemaakt. Hij woont al een tijdje in Londen, vandaar. We gingen op zoek naar gratis parkeerplek en belandden in Tuindorp, waar alle straten eenrichtings zijn, en waar je nooit meer uitkomt, als je pech hebt.

We besloten de parkeerkosten te delen en zijn auto toch maar voor mijn deur te zetten. Ik vergat uiteindelijk Ermo 6 euro te geven, zodat hij het alsnog allemaal alleen heeft betaald. Toen we Tuindorp waren ontsnapt en terug reden naar mijn huis, vertelde Ermo over het rijgedrag van de Engelsen. Enorm voorkomend, zoals je mag verwachten van de Brit. Beleefd tot op het bot, maar het is ongemeend.

We besloten ons nummer daarover te laten gaan. Hoe het is als je niet anders kunt dan loochenachtig zijn.

We hadden maar kort de tijd. De opname met de minste fouten hebben we gebruikt. En daar zitten er nog een hoop in. Maar we blijven trouw aan het concept. Ook deze komt op de site. ‘s Middags een man en ‘s middags nog steeds een man. Tenminste, zo denken wij erover.

Steeds minder hard

Samen met: René
Luister het hier: steeds minder hard

Datum: vrijdag 26 augustus
Begintijdstip: 10.45 uur
Klaar: 16.15
Drinken: 2 thee, 3 water en 1 sap
Eten: 2 maria kaakjes, twee boterhammen en een beschuitje

En hoe ging het allemaal in z’n werk?

In de bus naar Nieuwkoop had ik een spraakzame buschauffeur. Hij vertelde dat ze tegenwoordig vanuit de centrale precies kunnen zien wat hij uitvoert. Vroeger reed hij in een verloren uurtje wel eens met de bus langs huis om een kopje koffie te drinken. Daar kwam dan niemand achter. Totdat hij een keer weer terug aan het werk wilde gaan. En de bus niet startte. Die kar stond compleet uit de route. Voor zijn eigen woning. Moest hij een monteur laten komen. En ook maar even uitleggen hoe dat ding op die plek terecht was gekomen. Toch frappant: je bent ongehoorzaam en juist dán gaat er iets mis dat normaal altijd goed gaat… De chauffeur vertelde nogal grappig hoe hij zich uit die benarde situatie had weten te kletsen.Toen ik dat aan René vertelde, herinnerde hij zich een moment toen hij nog klein was, waarin hij aan zijn ouders moest vertellen hoe hij nou aan die appel kwam, die hij in zijn hand had. Geplukt, zei hij. En hoewel zijn ouders al lang door hadden dat dat onmogelijk kon, bleef hij steeds nieuwe verklaringen verzinnen. En er zelf in geloven.

Dit eendagsliedjes concept verdraagt niet al te veel getwijfel en getreuzel. Dus daar moest ons nummer over gaan: dat je begint te vermoeden dat je iets gedaan hebt dat een ander kwaad maakt. En wat je dan zegt.
Ik had mijn tamboerijn meegenomen en was er zeer op gebrand om die tijdens de opnames ter hand te nemen. Je hoort hem prominent terug in de mix. Als je je afvraagt waarom hij een minuut voor het einde ineens is verdwenen: dat komt omdat ik het ding toch niet zo soepeltjes tegen mijn handpalm liet dansen als ik me had voorgesteld. Met andere woorden: ik hield het niet meer  vol. Een techniek van niks; veel te verkrampt. Je hoort de tamboerijn tijdens het outro op de grond vallen. En het scheelde niet veel of ikzelf was er van uitputting achteraan gestort. Op de foto die de verbetenheid waarmee ik de percussie verzorg…

Verder kan ik je verklappen dat het nummer vooralsnog niet echt een einde heeft. Dus als je blijft luisteren naar de monotone drumpartij, die je gedurende de laatste twee minuten hoort: er komt daarna niets spannends meer…

Onbewoonbaar

Samen met: Ton Herman
Luister het hier: Onbewoonbaar

Datum: donderdag 24 februari
Begintijdstip: 11.00 uur
Klaar: 20.00 uur
Drinken: 4 thee, 2 water en 1 sap
Eten: gevulde koek, drie boterhammen, een appel en een bord spaghetti met rode saus

En hoe ging het allemaal in zijn werk?
Ton Herman heeft een hoekje van zolder ingericht als studiootje. Dat betekent een halve vierkante meter ruimte per persoon. Ik moest soms het stemmingsmechaniek van de basgitaar in mijn gezicht dulden, maar ik deed het met liefde.

Gedurende de dag kwamen we erachter dat we elkaar soms verkeerd begrepen. TH komt van het conservatorium en ik ben autodidact. Toch bleken de misverstanden weinig schade aan te richten. Sowieso ontstaat de beste muziek die ik maak meestal door een verkeerd gepakt akkoord dat toevalligerwijs mooi klinkt…
Het eerste uur werden we geen van beiden erg enthousiast over de klanken die wevoortbrachten. Niemand zei het, maar dat voel je gewoon. Het schoot door mijn hoofd: als dit een lied oplevert dat niet om aan te horen is, zet ik het dan ook op de site?

Mooie secuur die TH aanbracht toen hij de dwingende, staccato aanslag op de piano losliet. De akkoorden die me in eerste instantie niet echt in beweging zetten, veranderden nu in een springkussen waar mijn stem gewoon op móest. De landerige stemming was weg. Elk nieuw idee was raak. Achterop de wagen laden en met volle vaart de middag in.

Het leek wel een beetje op een kookwedstrijd die ik laatst zag. ‘You have two minutes left!’ Zo probeerden wij alles op de band te krijgen voordat Wendy de spaghetti op tafel zette en de kinderen hun dvd hadden gezien. Het lukt niet. Na het eten nog even naar boven om de percussie en wat andere tierelantijntjes in te spelen, en klaar.

Het was al donker toen ik met de auto door het onverlichte Achterhoekse land reed, op weg naar huis. Mistflarden schampten de voorruit en achterin begonnen twee jongetjes langzaam in slaap te vallen. Ik liet de tekst van Onbewoonbaar nog eens door mijn hoofd gaan en bedacht dat sommige zinnen, die me in eerste instantie logisch toeschenen, voor de luisteraar misschien als complete wartaal moesten klinken. ‘Het laadt alleen maar door tot aan het eind…’ In een vroeg stadium wilde ik de metafoor van elektriciteit helemaal doortrekken en was het: ‘het laadt alleen maar op’, waarmee ik doelde op de frustratie van de verteller. Later verdween dat naar de achtergrond en probeerde ik te refereren aan een kogel (de zin waarmee hij haar de bons geeft) die doorgeladen wordt in een pistool. Maar pas nu drong het tot me door dat de luisteraar hoort: ‘het laat alleen maar door’. Wat laat wat door? Goeie vraag. Ik ben benieuwd of iemand een interpretatie kan bedenken die deze zin in dit lied kan rechtvaardigen…

Maar allez, dit is het concept van de eendagsliedjes. En ik hou ervan. Elke sessie geeft me een goed humeur dat minstens drie dagen aanhoudt. Dat is wat muziek met me doet…

Mij te lang

Samen met: Peter
Luister het hier: Mij te lang

Datum: dinsdag 16 februari 2011
Begintijdstip: 10.00 uur
Klaar: 14.30 uur
Drinken: 2 thee, 1 water, een grapefruitsap
Eten: tosti

En hoe ging het allemaal in zijn werk?
Peter heeft een onorthodoxe manier van tosti’s maken. Een dubbele boterham met kaas in de koekenpan en dan het vuur eronder. De pit stootte de vlam uit met een huigachtig geluid en wij praatten over het feit dat bands bij De Wereld Draait Door niet meer dan een couplet en een refrein mogen spelen. Omdat het publiek niet de aandacht kan opbrengen voor een song van vier minuten. Of omdat de redactie van het programma dat veronderstelt.

Terwijl de tosti aanbrandde – wat me misschien niet erg verbaasde – hadden we het over een filmpje van Neil Young, dat ik op Facebook had gezet. Het lied duurde 9 minuten en ik wist bijna zeker dat, áls er al iemand op de link had geklikt, hij ruim voor deindrukwekkende gitaarsolo op de helft van het lied, zou zijn afgehaakt.

Peter vertelde me over een filmpje dat hij op Youtube had gezien waarin Young tijdens een concert ‘A day in the life’ van The Beatles zong, en dat in het midden van het nummer Paul McCartney naast hem opdook om mee te zingen.

Dus we  besloten een nummer te maken met als titel ‘Dit duurt mij te lang’ en dat we als uitgangspunt de akkoordenreeks van ‘A day in the life’ zouden nemen. In de uiteindelijke versie zijn die akkoorden ook nog te horen. Ik ben benieuwd of iemand kan horen waar.

De gitaren uit de hoes en dan spelen in een roes. Ik heb een geweldige dag gehad. Zelfs het moment dat mij een stuk ijzerdraad om  mijn middel werd gespannen bracht me nauwelijks van mijn stuk. Er zat een brom in het snoer van mijn gitaar, die alleen onderdrukt kon worden als de plug vastzat aan het draad, dat vervolgens weer in contact moest zijn met mijn blote vel. In het boek De oorlog van het einde van de wereld voert Vargas Llosa de profeet Antonio Maciel op. Een charismatische, dwergachtige figuur, die bij wijze van zelfkastijding een stuk prikkeldraad om zijn middel draagt. Zwerende wonden, ingroeiend ijzer; dat werk. Zo heroïsch was het allemaal dus niet, maar toch ging er voor mij een zekere mystieke kracht uit van gordel die ik tijdens het spelen droeg.

Grofweg hield Peter zich bezig met de akkoorden, ik met de tekst, wij samen met de zanglijn en Peter met de opname, de mix en het editten. David: zang, akoestische gitaar. Peter: zang, elektrische gitaar, basgitaar, drumcomputer.

Luister naar Peter in de band The Charlies (hij is de man die intiem wordt met de vis. Zit wel redelijk op het eind, dus ik hoop dat je het redt…)

 

Zaakjes voor elkaar

Samen met: Toon
Luister het hier: Zaakjes voor elkaar

Datum: vrijdag 3 december
Begintijdstip: 14.00 uur
Klaar: 16.30 uur
Drinken: 2 thee
Eten: 4 geroosterde boterhammen

En hoe ging het allemaal in zijn werk?
We hadden elkaar al zo lang niet gezien dat Toon verbaasd uitriep dat ik een sík had, toen ik zijn woning binnen ging. Mijn sik is me inmiddels zo vertrouwd, dat het voelt alsof ik hem al jaren draag.
Tijdens de geroosterde brood kwam ter sprake dat ik mijn huis uit moet en vertelde ik maar weer een keer het hele verhaal over hoe dat zo gekomen is. Een halfuur later hadden we het over Toons nieuwe badkamer die hij erin had laten zetten en vroeg ik verbaasd of dit misschien zijn eigen woning was. Hij antwoordde met ja, en na wat doorvragen van mij voegde hij eraan toe dat hij 350 euro per maand kwijt was aan hypotheek. Hij sloot af met: ‘En dat is dus erg weinig…’
Vooral dat laatste vonden we allebei erg grappig. Het idee ontstond om een lied te maken over een man die een vriend op bezoek krijgt die diep in de problemen zit. En dat die man dan alleen maar gaat zitten uitweiden over hoe goed hij zijn zaakjes wel niet voor elkaar heeft, zonder de ander te helpen…

Rolverdeling: Toon op de gitaar en ik zingen en de tekst op papier zetten. Tussendoor even het dingetje opnemen om te luisteren of het wel ergens naar klonk en wat improvisaties inzingen. Aan het eind in een keer de song opgenomen.

Meer informatie over Toon: www.drumbo.nl

‘Ze had 1000 euro, had ze zelf gespaard – tenminste, 900 euro, en de rest kreeg ze van haar ouders.’

Breda, Willemstraat, 30 september 2011, 15.10 uur. 

Ik zou me graag voordoen als een ander soort persoon, maar ik moet eerlijk zijn. Welk nut heeft schrijven anders, als je geen eerlijkheid kunt opbrengen? Hier gaat het om: ik word helemaal kriegel als anderen om me heen aan het praten zijn. Dat wil zeggen: als ik zelf niet aan dat gesprek deelneem. Best een vreemde eigenschap, eigenlijk.

En het word steeds erger. Omringende mensen in de trein, die gemoedelijk hun conversatie plegen: ik sta op en zoek een andere plek. Soms wel een paar keer per reis. Twee jongens die het hebben over een studiegenoot. Dat hij niet spoort. En dat alle klasgenoten dat ook vinden. Laatst had hij op Facebook gezet: ‘ik ga me even aftrekken onder de douche’. Ik bedoel, gást. Als je het nog een beetje grappig zegt, oké… maar dit? We zaten allemaal zo van, kerel, flikker toch op.

Eigenlijk is het een toneelstuk op zich. Ik zou ervan genieten als ik er een entreebewijs á 9,50 euro had betaald. Maar het kaartje dat ik gekocht had kostte 16,50 en de deal was dat ik voor dat bedrag naar Breda en weer terug mocht. De dialoog die ik er gratis bij kreeg was te veel voor me. Ik pakte mijn spullen en ging op het balkon zitten, waar ik bij elke wissel door elkaar geschud werd en waar het gegil van de wielen op de rails me de rillingen gaf.

Dat was de heenweg. Terug dan. Twee vrouwen vlak voor me. De een praat over de keuken, die vernieuwd moet worden. Eindeloos de afwegingen tegenover elkaar zetten. Als ze dat kastje daar hangt, tja, dan wordt de ruimte achterin weer krap. En die voorstellen van de woningbouwvereniging, dank je de koekoek, dan hebben ze aan haar toch echt de verkeerde. Kom op zeg, daar gaat ze absoluut niet mee akkoord.

En daartussenin blonk mijn bezoek aan Breda. De zon zat als gegoten en in het park lag iedereen onderuitgezakt op het gras. Twee jongens op de stoep: ik krijg maar één zin van hun gesprek mee. ‘Ze had 1000 euro, had ze zelf gespaard, tenminste, 900 euro, en de rest kreeg ze van haar ouders.’

Dat is genoeg. Meer hoef ik niet te weten. Het kan over een vakantie gaan of over een computer. Ze kunnen het belachelijk vinden, de verwennerij van die ouders. Of juist fijn voor die meid; ze verdient het. Deze soundbite geeft me de kans om er zelf mee aan de haal te gaan. Ik neem hem mee. Breda uit, helemaal naar Utrecht.

Gezellig op schoot. Je bent beter af bij mij, zinnetje, geloof me. Het zou een beschamend gesprek worden, tussen die jongens. Onzinnig en doelloos. Mensen kunnen niet praten, makker. Dat is het. Ze kunnen het gewoon niet.

‘Niet hun zijn fucked, wij zijn ook fucked.’

Amsterdam, Amstel station, 10 sptember, 13.35 uur. 

Twee jongens lopen me tegemoet. Beide een tikje gezet, beide zwart, half lang haar; geverfd volgens mij. Ze zijn jong. Eentje draagt een baard. Ook zwart. Ik vraag me af of hij die eveneens geverfd heeft. Waarom vraag ik me dat af? Wat heb ik ermee te maken?

Nu, dit is waar ik me mee vermaak. Mijn leven is een voortdurende ‘wat als?’ vertelling. Ik ben dagelijks bezig met mogelijk drama destilleren uit de mensen in het straatbeeld. Deze twee jongens bijvoorbeeld. Ze hebben elkaar gevonden, omdat ze op elkaar lijken. Of ze waren al bevriend en zijn vervolgens op elkaar gaan lijken.

Spijkerbroek, wit T-shirt, bleek gelaat en een uitdrukking op hun gezicht die zegt: niemand maakt me wat. Maar zoals dat gaat, de ene is net wat meer ‘zo eentje’ dan de ander. Het scheelt verdomd weinig, maar het is onmiskenbaar. Is dat iets dat een rol speelt in hun vriendschap, vraag ik me af. Zal het na verloop van tijd tussen hen in gaan staan?

Moet je maar eens opletten: een groepje koorballen. Achterover vallend kapsel, mond uitsloverig half open, onderuitgezakt op hun terrasstoeltjes. Maar ze zijn nooit allemaal precies even koorballerig. Die gradaties, zijn ze zich daar zelf van bewust? Is de een simpelweg bereid verder te gaan dan de ander? Of is het een kwestie van allemaal even veel je best doen, maar dat het niet iedereen even goed lukt?

Ik kan van mezelf niet inschatten tot welke groep ik behoor. Ben ik er ook ‘zo eentje’, van welke categorie dan ook? Geen idee. Hetzelfde principe treedt wellicht in werking wanneer mensen zeggen dat mijn zoons zo op me lijken. Ik zie het niet. Hou maar eens een foto tegen je neus. En dan proberen te zeggen wat erop staat.

Ik had een keer hardloopkleren gekregen, van een vriend die er toch niets mee deed. Zo’n professioneel, flubberig kort broekje, en ook van die leggings, voor als het koud is. Ik had ze wel zien lopen, die lui in het bos, met zo’n overbodig dure outfit. Dat waren ‘anderen’. Niet zoals ik. Vliegensvlug maakte ik die indeling, als ze me tegemoet liepen. ‘Anders’. Punt.

Toen ik voor het eerst met de strakke broek ging hardlopen (‘joggen’ kon ik het nu echt niet meer noemen) besefte ik met een schok dat ik nu was toegetreden tot het kamp van de anderen. Ik bezag mezelf door het oog van degenen die, net als ik tot voor kort, een joggingbroek droegen. Ik hoorde niet meer bij hen. Terwijl ik nog precies dezelfde persoon was als de dag ervoor.

‘Niet hun zijn fucked,’ zei de jongen met het baardje, terwijl ze door de schuifdeuren de stationshal in liepen, ‘wij zijn ook fucked.’ Hun en wij. Ik zal wel niet de enige op de wereld zijn die de mensheid in kampen heeft opgedeeld.

Waarschijnlijk zou de jongen zijn eigen ‘fucked zijn’ het liefst willen afschuiven op die ‘hun’. Want ‘hun’ lopen sowieso de hele tijd al te fucken. Het feit dat wij fucked zijn, ligt aan hun gefuck.

Ik ben blij met al het gefuck in deze wereld. Want zonder fuck is er geen drama, geen kunst, geen nieuws, geen gesprek mogelijk. En waar zou ik mijn dagen dan nog mee moeten vullen?

‘I said I miss you… once!’

Utrecht, Janskerkhof, 26 augustus 2011, 21.44 uur. 

Ze stond op het Janskerkhof met een telefoon aan haar oor en het hengsel van een tas diagonaal over haar schouder. Het licht van de straatlantaarns reflecteerde op de glimmende klinkers. Ze was duidelijk geagiteerd. Haar hoofd schoot naar voren toen ze de woorden uit stootte. ‘I said I miss you… once!

’Ik had het druk met het verkeer, op het kruispunt vlak voor café Broers. Er zijn voetgangers die niet door hebben dat ze op het fietspad lopen, en automobilisten waar ik me van afvraag of ze zich die regel ‘recht door gaat voor’ echt nog kunnen herinneren van hun theorie examen. Vooral omdat daar niet helemaal duidelijk is wie rechtdoor gaat en wie afzwenkt. Want eigenlijk doen we beiden van allebei een beetje.

Pas toen de verkeerssituatie wat overzichtelijker werd, kreeg ik de kans om de zin op me in te laten werken. Ik haalde een studente in, wiens fiets rammelde en kraakte, met doorschietende pedalen en een breed uitzwabberend achterspatbord. Zou het meisje met de telefoon zich moeten hebben verantwoorden voor het feit dat ze de jongen miste? En dat ze toen maar zei dat ze het één keert gezegd had. Één miezerig keertje. Sorry hoor, als we daar ook al niet meer tegen kunnen…

De ander missen, een niet te onderschatten wapen in het constante duel dat ‘verkering’ heet. Sommigen interpreteren het als een compliment, anderen als een verwijt. En zelfs in het eerste geval kan het je van je paard prikken als een lange lans. Word je immers niet geacht de ander precies even veel terug te missen?

Missen is in vrijwel alle gevallen raken.‘Tu me manque,’ zeggen de Fransen. Je ontbreekt, zou ik het vertalen, met mijn HAVO Frans. Maar de man die al veertig jaar gewend is om alles op te vatten als een aanval, wentelt zich in de steenkolen en maakt ervan: er mankeert iets aan je.

Vriendinnen hebben me vaak zat te kennen gegeven dat ze me misten, ook al was ik voortdurend in de buurt. Fysiek, dan.

Zodra een vrouw zegt dat ze me mist, beland ik en een onoverzichtelijke verkeerssituatie. Ik kan nooit voorspellen of rechtdoor zal gaan of afzwenken. Misschien moet ik me toch eens aan een theorie examen wagen.

‘Ik heb minder geslapen dan jou, geloof mij nou maar.’

Utrecht, Loeff Berchmakerstraat, 30 augustus, 2011, 14.35 uur. 

Ik fietste naar huis zonder echt te weten wat ik daar wilde doen. Zoals wel vaker nam ik me voor om dan in ieder geval de computer uit te laten. De twee uur die ik had stuk te slaan zouden anders voorbij zijn zonder dat ik enig idee zou hebben waarmee ik ze gevuld had. Maar drie omwentelingen van mijn trappers later bedacht ik toch een mailtje dat ik moest schrijven en een website met informatie die ik nog moest bezoeken.

Ik was moe. Ik zou naar bed kunnen gaan. Maar er waren nog blogs te schrijven en zinnige vervolgplannen te maken voor mijn vele projecten (die ik meestal in een kwieke bui heb bedacht en die vervolgens stil komen te liggen). Er waren telefoongesprekken te voeren en rommelige kamers op te ruimen. Dat zijn activiteiten die ik altijd voor me uitschuif tot een tijdstip dat ik niet moe zal zijn. Die momenten zijn er vaak zat, maar dan ben ik zo fit dat ik fabelachtige nieuwe ideeën krijg. En die moeten dan op stel en sprong uitgevoerd worden.

Drie jongens liepen me tegemoet in de Loeff Berchmakerstraat. Glimmende jassen, bontkragen, kapsels die microscopisch precies opgeschoren waren.‘Ik heb minder geslapen dan jou, geloof mij nou maar’, zei er eentje, terwijl hij een ander een stomp tegen zijn schouder gaf. Ik reed op een sukkelgangetje, maar ik was niettemin al snel te ver richting Breedstraat verdwenen om te kunnen horen of de ander daar tegenin ging.

Ik zou ook wel iemand willen bellen, nu. En dan alleen maar zeggen hoe lang geslapen heb vannacht. En dan weer ophangen. Waar komt die drang vandaan om anderen te moeten vertellen over de korte nachtrust? Trouwens ook over extreem lange slaapsessies, maar dat is voornamelijk bedoeld om aan te geven dat het echt wel nodig was, want o, wat hadden we de nachten daarvoor toch weinig geslapen…

Ik zette mijn afgesloofde gezicht op, zodat ik niemand hoefde te vertellen hoe erg ik eraan toe was. Ze zouden het zo wel zien. Ze zouden wel twee keer nadenken voordat ze me aanspraken voor een vuurtje, een euro, of een vriendendienst.

Bij thuiskomst nam ik eerst een douche van 25 minuten.Toen liet ik me op de bank vallen. En deed niets. Ongeveer twee minuten. Ik stond op. Zette de computer aan. En ik keek of er misschien email was.

‘Ik zal je zeggen: ik ga daar zitten… oogkleppen op…’

Utrecht, St. Laurensdreef, 29 juni om 10.15 uur. 

Ik was in Overvecht beland. Op een bedrijventerrein. Op een donderdagochtend. Buiten regende het.Ik laat me soms inhuren als trainingacteur. Het soort opdrachten dat werkloze toneelspelers aannemen. Ik ben geen werkloze toneelspeler. Helemaal geen toneelspeler. Maar in zo’n rollenspel een arrogante gesprekspartner acteren vind ik amusant om te doen. Bovendien kan ik van de verdiensten minstens een week rondkomen.

De training heette ‘vrienden maken’. De werknemers moesten leren hoe ze in een zakelijk gesprek de ander voor zich innamen. ‘Op de relatie zitten’ noemden ze dat.

En dat alles diende dus te gebeuren in Overvecht.

Ik had de eerste twee uur niets te doen, behalve de introductie bijwonen. Het oefenen met de rollenspelen kwam pas aan het eind van de ochtend. Ik en de andere acteur zaten achterin het lokaal op een tafel. We keken stoffig voor ons uit. Ik kan me nog bijbaantjes herinneren uit mijn studententijd. Soms was gedurende een kwartiertje de lopende band stuk en had ik niets anders te doen had dan wachten tot het werd opgelost. Toen vond ik dat altijd dat een lekkere meevaller.Tegenwoordig moet op deze momenten van nietsdoen alle zeilen bijzetten om niet voluit te gaan schreeuwen. Zo’n leidinggevende die zijn praatje afsteekt, en elke zin volpropt met minstens vijf afkortingen waar ik de betekenis niet van ken; als ik niet zo vredelievend was geweest, zou ik hem het liefst neerslaan. Ik werk liever een hele ochtend aan een lopende band, dan een uur te moeten luisteren naar dat managersgedrein.

Om de boel niet te laten escaleren stond ik op en liep naar de wc. Een beproefde methode, die stamde uit mijn middelbare schooltijd. Weg uit het benauwde lokaal, vol mensen die eigenlijk allemaal liever ergens anders zouden zijn.

Ik liep langs de kantine en passeerde twee meisjes die flesjes ontbijtdrank vasthielden. Ze zaten dicht bij elkaar aan een van de tafeltjes. ‘Ik zal je zeggen: ik ga daar zitten… oogkleppen op…’ zei de ene. Daarna dacht ik nog iets op te vangen als: ‘volledig in mijn eigen wereld…’

Ja, dat was het. Iedereen in zijn eigen wereld. Er zijn twee werelden; eentje waarin mensen fysiek verblijven en de andere waarin ze met hun gedachten zijn. Ik bleef lang op de wc zitten. Hoewel ik eigenlijk niet daar was, maar bovenzintuiglijk al achter de computer om dit stukje te tikken. Zoals ik nu niet achter de computer ben, maar weer terug in dat wc hokje om terug te halen hoe het ook alweer was. Vrij omslachtig gedoe eigenlijk, allemaal.

Toen ik weer terug kwam in het lokaal, was de trainer iets aan het uitleggen. Het ging over cosmetisch luisteren. Dat betekent: wel alle uiterlijke kenmerken vertonen van een luisterend persoon, maar intussen bedenken hoe je het gesprek een kant op kunt duwen die jij interessanter vindt. Zijn gehoor deed op geen enkele manier zijn best om zelfs maar half cosmetisch te luisteren.

Oogkleppen op. Volledig in hun eigen wereld.