Het deurknop moment

Ik moest in het ziekenhuis zijn. Zo’n afspraak waarop ze je iets gaan vertellen wat ze je al een keer eerder verteld hebben. Of iets testen dat al vaker getest is. Ik laat me overal naartoe sommeren. Meegaan met de stroom en zo weinig mogelijk energie verspillen aan het gevecht tegen het systeem.

Laat ik tussendoor even zeggen dat dit stukje op geen enkele manier gaat over wat mij mankeert. Sterker nog, er mankeert me niets. Maar als ik niet opschrijf om welke reden ik naar dat ziekenhuis ging, raak jij, lezer, gedurende dit stuk steeds meer in de ban van mijn mogelijke kwaal. Je gaat voorbij aan de pointe van wat ik schrijf.

En dat is deze (terwijl ik je nu kwijt ben; ik kan net zo goed wartaal opschrijven): ik heb het idee dat ik de enige persoon ter wereld ben die alleen nog kan kiezen tussen 11.40, 12.15 of 13.30 uur als er een afspraak moet komen met de tandarts, de schooldokter of de cv monteur. Voor een tijdstip aan het begin of het eind van de dag kom ik structureel niet in aanmerking. Ik begin me soms af te vragen of tandartsen ’s ochtends vroeg of in de namiddag überhaupt wel patiënten ontvangen.

Het zal iets karmisch zijn. En het zal jou een rotzorg zijn. Je wilt alleen maar weten wat voor aandoening mij naar het ziekenhuis deed gaan. Je vraagt je alleen maar af waarom ik zo mysterieus doe.

Terug naar mijn pointe. Een van de grote doelen in mijn leven is: een keer een volledige dag aan mijn werk te besteden. Ik kan me de tijd niet heugen dat ik een paar uur achter elkaar heb kunnen schrijven. Ik koester de illusie dat ik op zo’n dag minstens twee blogs zou afmaken, alsmede een opzet voor een essay en toch zeker vier pagina’s proza.

De realiteit heeft al een paar keer aangetoond dat er niets klopt van die gedachte. Mijn neiging elke twintig minuten mijn email te checken zou ik ‘ziekelijk’ willen noemen. Een achteloos ingevoerde zoekopdracht kan me ongemerkt tot ver in de krochten van het internet leiden. Aan het eind van zo’n dag kan ik meestel niet aanwijzen wat mijn verblijf achter de computer nu concreet heeft opgeleverd.

Ik geef graag de schuld aan de receptionisten en assistenten van deze wereld. De agenda’s die ze hanteren zijn als een kloofmes waarmee ze bruut mijn dag doormidden splijten. Zo komt een mens toch nergens aan toe, verzucht ik vaak als ik de hoorn moedeloos terug op de haak leg.

Vaak komt mijn schrijverij pas goed op gang als ik me eigenlijk al klaar moet gaan maken voor een afspraak. Te vergelijken met het ‘deurknop moment’, waar psychologen vaak mee te maken hebben. De cliënt komt, als hij zijn jas al aanheeft, op de proppen met een bekentenis die de hele sessie in een nieuw daglicht stelt.

Als je volop de tijd hebt om je vage ideeën tot concrete tekst te verwerken, komt tegelijkertijd de verplichting om de hoek kijken het ook daadwerkelijk te dóén. Vaak bedenk ik net zolang triviale huishoudelijke klusjes, tot er nog maar een uurtje over is om echt aan het werk te gaan. Dat is het startsein om op het toetsenbord te gaan roffelen alsof het een cajón is. Wie me iets probeert te vragen jaag ik heen met een grom, waarbij ik mijn tanden bloot trek.

Dus deze ochtend rukte ik me los van de tekst waaraan ik vlak voor vertrek met grote geestdrift was gaan schrijven. Ik stapte op mijn fiets en dacht, op weg naar Kanaleneiland, verder na over mogelijke wendingen in het stuk. Dat is ook werken, redeneerde ik, en zo ging het fietstochtje zo min mogelijk ten koste van mijn productiviteit.

Alleen jammer dat ik door al dat gedenk naar het verkeerde ziekenhuis fietste. Er begon me pas iets te dagen toen ik mijn kettingslot door het voorwiel stak. Een woeste sprint richting het goede gebouw haalde niets meer uit. De arts had zich over de volgende patiënt ontfermd.

‘Maar niet getreurd, meneer Mulder. Een nieuwe afspraak is zo gemaakt. We hebben over twee maanden nog een plekje vrij. Precies in het midden van uw werkdag.’