Het Willem Ruis dilemma

Ik kom kamer A512 binnen. Zes bedden staan er. Op de tweede van links zit mijn vader, in een spijkerbroek en een groen T-shirt. Met zijn ellebogen steunt hij op zijn knieën en zijn hoofd hangt omlaag. Ik kniel bij hem neer.

‘Dag David,’ zegt hij, zonder op te kijken.

Ik stel voor om naar de kantine te gaan en hij zegt ‘ja’.

Ik pak zijn hand. Zijn ogen doen het niet meer, onder andere, daarom pak ik zijn hand. Langzaam schuifelen we door de gang richting de liften. Hij is een kop groter dan ik. Zijn stappen zijn de helft kleiner.

Eerst moeten we door klapdeuren die pas open gaan als je tegelijkertijd op twee grote rode knoppen duwt. Tegen de tijd dat ik terug ben van de muur met de knoppen, en we langzaam door de deuren gaan, klappen ze weer dicht. Mijn vader schermt zijn gezicht af met zijn vrije hand. Ik geef een deur een ros, zodat hij weer open scharniert. Dan trek ik mijn vader snel mee tot de liften.

Er zijn er drie. We wachten even. Er gaat een belletje en de linker schuift open. Ik loop eropaf. Mijn arm blijft achter. Hier gaat de tijd langzamer. Althans, die van mijn vader. Het open en dichtgaan van de liftdeuren is echter gewoon ingesteld op de suizende snelheid die buiten deze ziekenhuismuren gangbaar is. Ruim voordat we de lift bereiken schuiven de panelen weer toe. Daarna wachten we opnieuw, geduldig, voor de middelste.

Het voelt alsof ik in een spelshow met Willem Ruis terecht ben gekomen. Staan we voor de goede, is de grote vraag. ‘Je kúnt nog wisselen!’ We blijven stoïcijns voor de lift staan waarop wij gokken. ‘Wéét je het zé-ker?’ vraagt de quizmaster, terwijl hij met een nauwelijks zichtbaar knikje van zijn hoofd zijn pony voor zijn ogen weg wiegt.

We weten niets zeker. We weten niet of mijn vaders ogen me ooit weer zullen kunnen zien. We weten niet hoe vaak wij nog hand in hand zullen staan. Als hij beter wordt, en zijn zicht komt terug, vermoedelijk niet zo vaak meer. Als het met hem nog ietsje verder bergafwaarts gaat, zal ik hem niet zomaar meer op sleeptouw kunnen nemen.

We verroeren ons niet. Vader en zoon. Hand in hand. Staand voor drie dichte deuren. ‘En als ik nu…’ uit de binnenzak van zijn colbertje haalt de presentator een stapeltje bankbiljetten. Hij telt ze langzaam: ‘een, twee, driehonderd gulden bied?’ Hij moet oppassen dat zijn microfoon niet valt tijdens het onhandige tellen. Gejoel uit de zaal. Maar wij blijven standvastig, alsof we voor hetere vuren hebben gestaan.

Maar we hebben niet voor hetere vuren gestaan. Ik houd zijn hand vast en het enige dat zeker is, is dat een van deze drie deuren aanstonds open gaat. Dit is voor mij voldoende informatie. Mijn opvoeding gebied me er genoegen mee te nemen. Een verpleegster die ons zag aanmodderen, biedt mijn vader een rolstoel. Hij slaat het aanbod af met een terloopsheid alsof ze een verkoper in de winkelstraat is, die ons een gratis krant probeert op te dringen.

Zo zijn wij. We hebben een voorkeur voor het open gaan van de dichtst bij zijnde liftdeur. Moeite doen om onze kansen te vergroten, door wellicht een alternatief te zoeken: dat laten we maar liever. Wij wachten tot  de juiste open gaat. Wij wachten tot ziekte afneemt. Wij wachten en accepteren.


By: TwitterButtons.com
By TwitterButtons.com

6 antwoorden op “Het Willem Ruis dilemma”

  1. Lieve David, wij kennen elkaar niet, maar als ex-colega van je moeder heb ik je vader ontmoet. Met tranen in mijn ogen heb ik je “gelezen” Prachtig

  2. Lieve David,
    Wat prachtig verwoordt. Ik heb het stuk een aantal keren gelezen en het beeld dat je schetst raakt me diep.

  3. Lieve David, ik ben onder de indruk. Je hebt zo precies beschreven wat je moeder mij heeft verteld, dat haar woorden nu in beelden door mijn hoofd gaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

17 − twee =