Pooldrift fragment

Fragment:

Vriend,

Zeg me dat je je gierende zorgen om mij hebt gemaakt. Je kon de slaap niet vatten, ’s nachts. Bang dat ik ergens met een geknakte nek in een greppel lag weg te rotten, of, nog erger, dat ik in een ver land de kroegen afging met mijn gitaar en dat ik succes had. Jaha, succes met de liedjes die voor negentig procent jouw creatie zijn. Je hebt liggen woelen en draaien, je hebt gekreund en gezucht, je hebt de digitale klok steeds maar zien oplichten tot het weer ochtend was en de boeren verderop hun melkmachines aanzetten. Je bent toch op de een of andere manier weggedommeld en toen je wakker schrok, voelde je prikkende pijn aan je kin en kwam je erachter dat je in je slaap aan de haren van je baard had liggen trekken. Je bent de dag gestart met een bel jenever en je overwoog Anouk te bellen om te vragen of zij misschien iets wist.

Het kostte je een eeuwigheid.

Je hebt de telefoon aangeraakt en je hand weer weggehaald. Je hebt de hoorn van de haak genomen en toch teruggelegd. Je hebt zelfs een keer na het intoetsen van haar nummer snel de verbinding verbroken. Officieel zijn jullie oké, ik weet het. Maar dat is theorie. De praktijk is een heel ander universum. Hoef je mij niet te vertellen. Ik betreed dat universum maar hoogstzelden en alleen als het echt niet anders kan.

Je liet de telefoon nog maar even voor wat hij was en bent toen achter de piano gaan zitten en je hebt rondgedoold in a-mineur. Je hebt uren gezeten en je zintuigen opengezet om het kantelpunt van iedere akkoordenwisseling zo intens te beleven dat je het bijna kon ruiken. Lang genoeg tot je alle gevoelens – de angst voor Anouk, de haat jegens mij, de bezorgdheid om mij – had omgezet in muziek. Misschien is er een volle dag en nog een nacht overheen gegaan. Vrij aannemelijk dat je gedurende die tijd niets hebt gegeten en dat de praktische gedachte om nieuw hout in je kachel te gooien geen ingang vond. En toen je haar eindelijk aan de lijn had – je tolde van koffie en van zweefjenever, je kaken kraakten van de kou – kon ze je geen schilfer nieuwe informatie toeblazen. Ze zal het niet hebben laten merken, maar ze zal blij geweest zijn dat ze je even sprak. Ze zal je nauwelijks haar paniek getoond hebben. Met een ingehouden stem zal ze gezegd  hebben dat ze net zomin als jij enig idee had waar ik uithing. En juist dat ingehoudene verried welke rampscenario’s zich in haar hoofd ontrolden.

Nee, evenknie, zielenmaat, amigo mío, ik ben niet dood. Niet ontvoerd of ten prooi gevallen aan de verdovende middelen, aan een religieuze sekte, aan waanzin, hondsdolheid, zonnesteek, shock, trauma of de verkeerde vrouw. Al heeft het allemaal niet veel gescheeld. Ik leef en ik vraag me ’s morgens af, als ik de brekende golven op vijf meter afstand tegen de kiezels hoor slaan, of ik dit hele avontuur nu als een succes of een mislukking moet betitelen. Mislukking, dat in ieder geval, hoe kon het ook anders. Ik ga nu geen tijd verspillen met het graven in mijn herinnering naar ondernemingen van mij die daar níét op zijn uitgelopen. Ik laat het, want er is belangrijkers: schrijven. Schrijven zal ik, en dan alleen het ter zake doende. De tijd van pappen en nathouden is voorbij, ik moet hard zijn, eindelijk eens hard voor mezelf. Ik zal dit potloodstompje over het papier laten gaan en de enige reden om het eraf te halen is om door te gaan naar het volgende woord. Ik zal schrijven, mezelf dwingen tot schrijven, net zolang doorschrijven tot me iets duidelijk wordt. En dan misschien erachter komen dat mijn vlucht hierheen zich toch tot een succes ontwikkelt. Wie weet? Als ik ooit eens een gedachte afmaakte zou het me al lang duidelijk zijn.

De zon komt net op. Ik ben als eerste wakker. Het strand is leeg. Ik rook een Krüger. Ja, ik rook tegenwoordig. Uit verveling. Uit lamme verveling is het begonnen. Ik walg van die dingen; de brandgeur, de doffe smaak. Het schrijnt mijn huig en aan het eind van de dag ga ik steevast over mijn nek.

Ik lig op mijn rug. De rondingen van de kiezels porren dwars door het karton in mijn bil, schouderblad, nieren. En elke ochtend overweeg ik of ik niet simpelweg naar Nederland zal bellen en een van jullie achterblijvers een som geld vragen – nee, jou uiteraard niet – en om zo van dit smeulende eiland af te komen. Ik hoor gekreun, gesnuif, gerochel, een paar meter verderop: de geluiden die Antonio el Cubano maakt als hij wakker wordt. Ik hoor een aansteker snippen, tenminste, als hij gisteravond een sigaret heeft weten te schooieren, of anders op zijn struintocht langs het strand een halfvol pakje heeft gevonden.

El Cubano, hij heeft een zacht timbre in zijn stem, zijn woorden zijn afgewogen. Ongelooflijk dat hij soms onze ervaringen hier vergelijkt met scènes uit boeken van Gontsjarov en Dostojevski, dat hij de sociale deining waaraan we met z’n allen onderhevig zijn weet te verklaren met theorieën uit de groepsprocessenleer, en dat hij ondertussen net zo hard meegaat in de ellendigheid, de kilharde strijd om ook deze dag te volbrengen zonder al te veel fysieke en emotionele schade op te lopen. Ja, ook Antonio el Cubano heeft voor me gestaan met een steen in zijn geheven hand, als de sangria de besturing van zijn tong en zijn ledematen over had genomen. En ik heb met mijn kolkende ogen op die steen staan focussen, proberen hem scherp te krijgen, wankelend, in afwachting van verdere gebeurtenissen; de roes heeft de herinnering aan hoe de situatie zich uiteindelijk ontwikkelde weggevaagd. Enkel uit het feit dat mijn schedel geen scheuren of breuken vertoont maak ik op dat de boel gesust moet zijn, door welke redenaar dan ook, met welke blèr-argumenten die er ook in hem zijn opgekomen.

Vijftig is Antonio, minstens. Grijs kroeshaar bij zijn slapen. Maar hij geldt als de sterkste van ons allemaal. Je zou het niet zeggen als je zijn dunne benen zag en de spekrand rond zijn middel. Kreeg de loodzware steen waar hij altijd op zit tot boven zijn hoofd geheven – meer een kwestie van de juiste techniek dan kracht, als je het mij vraagt, maar goed, het lukte verder niemand, mij niet, Fumbe niet, net zomin als de anderen uit ons rijtje. En ook niet, tot hun grote frustratie, de werklozen uit het dorp, van wie sommigen nog in de twintig, die vaak uit verveling bij ons komen zitten zwetsen over hoe laag hun uitkering is en hoe hoog hun echtgenotes van de toren blazen, en die op de vernederende dag dat el Cubano de kei omhoogwerkte een stuk sneller dan gebruikelijk ons strand verlieten, met schaafplekken op hun schouders van de vele vergeefse pogingen. Sommigen lieten zelfs verongelijkt hun rug al zien toen Antonio het gewicht nog met trillende armen boven zijn hoofd hield.

Zijn gezicht stond in precies dezelfde verwrongen stand als wanneer hij huilt. Vaak genoeg gezien, op het dode punt dat zich elke avond waarop we een fatsoenlijke hoeveelheid drank hebben weten te bemachtigen aandient: el Cubano begint eerst te zingen, dan wordt hij een kwartiertje stil, waarin hij – dat vul ik dan even in – denkt aan Cuba, aan zijn moeder, aan de vriend met wie hij zijn hele jeugd doorbracht maar die wegens kritische stukken op zijn weblog werd opgepakt en vastgezet, Zwarte Lente 2003, weet je wel, en die vervolgens een ineffectief gebleken hongerstaking inzette; Antonio’s mondhoeken in een vertrokken kramp, het lijkt een masker, omdat er lijnen verschijnen die je nooit in zijn gezicht ziet, de steen boven zijn hoofd even zwaar en verpletterend als het verdriet dat hem tijdens het drinken bij het vuur overvalt – hij heeft erover verteld, die vriend die zich uitholde in die eenzame cel om zijn vrijheid te herwinnen, om simpelweg naar de wolken in de lucht te kunnen kijken, maar die rustig door el ültimo líder revolucionario contemporáneo werd genegeerd, als een plantje dat tijdens een vacación verdort op de vensterbank, groeven in zijn voorhoofd, wangen die in vreemde puntjes uitsteken ter hoogte van zijn jukbeenderen; sommigen van de klaplopers rond het vuur hebben het niet eens door, Antonio’s kantelpunt, want je moet vooral haastig doordrinken, voor de sangria op is en je je roes misloopt. El Cubano huilt even en zoekt dan snel zijn casita op. Ineens is hij weg. Gisteravond ook. Het is twintig meter van het vuur naar het gat dat als deuropening dienstdoet, maar hij wist twee keer om te vallen. Ik wankelde op hem af en hielp hem aan zijn arm overeind. Met een grom duwde hij me van zich af en slingerde verder.

Nu hoor ik aan mijn andere kant, door de kieren van mijn uit kiezelstenen opgetrokken muren, Fumbes angstkreten in paniekerig Senegalees. Ik word een paar keer per nacht gewekt door zijn nachtmerries. Hoge, schrille uitroepen, gebroken woorden alsof hij jodelt: je hoort de doodsangst dansen in zijn stem. De eerste keren trok een rilling door mijn lijf als ik het hoorde. Is het niet stuitend hoe gemakkelijk een mens afstompt? En dan heb ik het over mezelf. Mijn buurjongen hier is één keer bijna verdronken, heeft zich, met kramp in zijn hele lijf, hevig onderkoeld en met de dood die op een haar na bezit van hem had genomen, uiteindelijk op het strand laten vallen. Vervolgens voert hij die doodsstrijd elke nacht opnieuw. Een keer of vijf. Ik hoor zijn hulpgeroep, ergens achter mijn droezelige sluimer en ik draai me nog eens om. Zijn huil klinkt door de nacht en ik erger me bijna, zoals op ochtenden dat bouwvakkers om kwart voor zeven staan te schreeuwen onder je raam.

Mijn slaap is me dierbaar. Slaap is het enige waar ik van op aan kan. Het schenkt me onderdak, schermt me een nacht lang af van de verplichting me te verhouden tot deze wereld en al die mensen die erop rondlopen. Je moet er toch niet aan denken dat je een kind hebt. Dat je niet alleen ’s nachts wakker geschreeuwd wordt, maar dat je dan, god betere het, moet opstaan? en moet handelen? Wat dat betreft heb ik het hier betrekkelijk gemakkelijk, want het enige wat me parten speelt is dat ik me ’s ochtends schuldig voel. Het is een ongemak dat ik graag voor lief neem. Mijn eeuwige uitvlucht: zolang de schuldvraag beantwoord kan worden met een simpel gebaar – mijn vinger tikt tegen mijn borst – is het allemaal zo erg niet. Ik maak ’s ochtends het vuurtje aan en zet koffie metAntonio’s geblakerde percolator. Als er koffie is, tenminste. Soms is het er; geen idee hoe, wie dat voor ons meebrengt, of er een winkeldiefstal aan te pas is gekomen. Er is zoveel dat langs me heen gaat. Als ik Fumbe een beker breng, betekent dat: sorry. Niet alleen sorry voor vannacht, maar sorry dat ik ben opgegroeid met rijke ouders in een bedeesde wijk, dat ik blank ben en westers, dat ik geweld alleen ken van televisie.

Fumbe neemt de beker aan. Hij is moe. Ik zie het aan hem. Altijd, de hele dag: moe. Je hoeft over weinig inlevingsvermogen te beschikken om te raden waarom. Wat me eerder voor een raadsel stelt is dat hij desondanks zo afschuwelijk vriendelijk is. Hij is de enige van deze hele bende die ik nog niet op een zeker moment heb zien knappen. Een moment dat de omstandigheden je bij de keel grijpen en dat de wanhoop op wat voor manier dan ook een uitweg zoekt. Bij ieder van ons ziet dat er weer anders uit. Anselmo steelt iets van je, of hij vernielt opzettelijk een deel van onze gezamenlijke uitzet. Als hij dat gedaan heeft verdwijnt hij een paar dagen uit zicht. De aframmeling die hij krijgt als hij schuchter en kruiperig weer aan komt zetten over de kiezels is er echter niet minder om.

Antonio el Papagayo wordt zo dronken als maar lukt en probeert daarna met iemand te vechten. Je hoeft alleen maar aan de kant te stappen als hij je met een trage uithaal probeert te stompen, maar toch: het witte speeksel op zijn lippen, onder die grijze snor, het rood in zijn ogen, de gigantische adamsappel die uit zijn lange hals puilt – het is een beeld dat vaak nog dagen op mijn netvlies blijft staan. Zijn neus, die werkelijk op de snavel van een papegaai lijkt, staat schots en scheef, omdat niet iedereen hier zo vredelievend is als ik, el Holandés, die hem laat uitrazen zonder hem zelfs maar een duwtje te geven.

John begint te zuigen; vileine opmerkingen waarmee hij wil laten merken dat hij moreel en intellectueel ver boven ons verheven is. Hij krijgt ons allemaal op de kast en grijnst afstotelijk zijn overdaad aan tandvlees bloot, tot hij zeker weet dat we van verongelijktheid voorlopig niet in slaap zullen vallen. Dan trekt hij zich terug in zijn casita. Antonio el Cubano wordt stil en verbitterd. Neemt afstand en gaat verderop zitten bij de rotsen en kijkt, hoofdschuddend over zoveel onbenul en doortraptheid in deze wereld, naar het breken van de golven.

En dan ik.

Niks, eigenlijk. Een totale afwezigheid van handelen. Iemand lijkt de stekker uit me getrokken te hebben en ik beweeg als een geest over de kiezels van het stukje strand dat we als onze stoep beschouwen. Mijn keel snoert dicht, mijn buik rommelt van opgekropte frustratie en ik zit op een kei apathisch voor me uit te staren en wacht tot het weer overgaat. Dat is wat de armoede en de lamlendigheid met ons doen. Je kunt je er niet aan onttrekken. Fumbe ook niet, maar hij krijgt het toch voor elkaar volledig in contact te blijven met iedereen. Zelfs metAnselmo, de achterbakse, wiens knijpoogjes doorgaans niet langer dan een kwart seconde op een ander gericht zijn, zie ik hem soms daadwerkelijk een gesprek voeren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>