‘Ik heb minder geslapen dan jou, geloof mij nou maar.’

Utrecht, Loeff Berchmakerstraat, 30 augustus, 2011, 14.35 uur. 

Ik fietste naar huis zonder echt te weten wat ik daar wilde doen. Zoals wel vaker nam ik me voor om dan in ieder geval de computer uit te laten. De twee uur die ik had stuk te slaan zouden anders voorbij zijn zonder dat ik enig idee zou hebben waarmee ik ze gevuld had. Maar drie omwentelingen van mijn trappers later bedacht ik toch een mailtje dat ik moest schrijven, en een te bezoeken website met informatie die ik nodig had.

Ik was moe. Ik zou naar bed kunnen gaan. Maar er waren nog blogs te schrijven en zinnige vervolgplannen te maken voor mijn vele projecten (die ik meestal in een kwieke bui heb bedacht en die vervolgens stil komen te liggen). Er waren telefoongesprekken te voeren en rommelige kamers op te ruimen. Dat zijn activiteiten die ik altijd voor me uitschuif tot een tijdstip dat ik niet moe zal zijn. Die momenten zijn er vaak zat, maar dan ben ik zo fit dat ik fabelachtige nieuwe ideeën krijg. En die moeten dan op stel en sprong uitgevoerd worden.

Drie jongens liepen me tegemoet in de Loeff Berchmakerstraat. Glimmende jassen, bontkragen, kapsels die microscopisch precies opgeschoren waren.‘Ik heb minder geslapen dan jou, geloof mij nou maar’, zei er eentje, terwijl hij een ander een stomp tegen zijn schouder gaf. Ik reed op een sukkelgangetje, maar ik was niettemin al snel te ver richting Breedstraat verdwenen om te kunnen horen of de ander daar tegenin ging.

Ik zou ook wel iemand willen bellen, nu. En dan alleen maar zeggen hoe lang geslapen heb vannacht. En dan weer ophangen.Waar komt die drang vandaan om anderen te moeten vertellen over de korte nachtrust? Trouwens ook over extreem lange slaapsessies, maar dat is voornamelijk bedoeld om aan te geven dat het echt wel nodig was, want o, wat hadden we de nachten daarvoor toch weinig geslapen…

Ik zette mijn afgesloofde gezicht op, zodat ik niemand hoefde te vertellen hoe erg ik eraan toe was. Ze zouden het zo wel zien. Ze zouden wel twee keer nadenken voordat ze me aanspraken voor een vuurtje, een euro, of een vriendendienst.

Bij thuiskomst nam ik eerst een douche van 25 minuten.Toen liet ik me op de bank vallen. En deed niets. Ongeveer twee minuten. Ik stond op. Zette de computer aan. En ik keek of er misschien email was.

‘Ik zal je zeggen: ik ga daar zitten… oogkleppen op…’

Utrecht, St. Laurensdreef, 29 juni om 10.15 uur. 

Ik was in Overvecht beland. Op een bedrijventerrein. Op een donderdagochtend. Buiten regende het.Ik laat me soms inhuren als trainingacteur. Het soort opdrachten dat werkloze toneelspelers aannemen. Ik ben geen werkloze toneelspeler. Helemaal geen toneelspeler. Maar in zo’n rollenspel een arrogante gesprekspartner acteren vind ik amusant om te doen. Bovendien kan ik van de verdiensten minstens een week rondkomen.

De training heette ‘vrienden maken’. De werknemers moesten leren hoe ze in een zakelijk gesprek de ander voor zich innamen. ‘Op de relatie zitten’ noemden ze dat.

En dat alles diende dus te gebeuren in Overvecht.

Ik had de eerste twee uur niets te doen, behalve de introductie bijwonen. Het oefenen met de rollenspelen kwam pas aan het eind van de ochtend. Ik en de andere acteur zaten achterin het lokaal op een tafel. We keken stoffig voor ons uit. Ik kan me nog bijbaantjes herinneren uit mijn studententijd. Soms was gedurende een kwartiertje de lopende band stuk en had ik niets anders te doen had dan wachten tot het werd opgelost. Toen vond ik dat altijd dat een lekkere meevaller.Tegenwoordig moet op deze momenten van nietsdoen alle zeilen bijzetten om niet voluit te gaan schreeuwen. Zo’n leidinggevende die zijn praatje afsteekt, en elke zin volpropt met minstens vijf afkortingen waar ik de betekenis niet van ken; als ik niet zo vredelievend was geweest, zou ik hem het liefst neerslaan. Ik werk liever een hele ochtend aan een lopende band, dan een uur te moeten luisteren naar dat managersgedrein.

Om de boel niet te laten escaleren stond ik op en liep naar de wc. Een beproefde methode, die stamde uit mijn middelbare schooltijd. Weg uit het benauwde lokaal, vol mensen die eigenlijk allemaal liever ergens anders zouden zijn.

Ik liep langs de kantine en passeerde twee meisjes die flesjes ontbijtdrank vasthielden. Ze zaten dicht bij elkaar aan een van de tafeltjes. ‘Ik zal je zeggen: ik ga daar zitten… oogkleppen op…’ zei de ene. Daarna dacht ik nog iets op te vangen als: ‘volledig in mijn eigen wereld…’

Ja, dat was het. Iedereen in zijn eigen wereld. Er zijn twee werelden; eentje waarin mensen fysiek verblijven en de andere waarin ze met hun gedachten zijn. Ik bleef lang op de wc zitten. Hoewel ik eigenlijk niet daar was, maar bovenzintuiglijk al achter de computer om dit stukje te tikken. Zoals ik nu niet achter de computer ben, maar weer terug in dat wc hokje om terug te halen hoe het ook alweer was. Vrij omslachtig gedoe eigenlijk, allemaal.

Toen ik weer terug kwam in het lokaal, was de trainer iets aan het uitleggen. Het ging over cosmetisch luisteren. Dat betekent: wel alle uiterlijke kenmerken vertonen van een luisterend persoon, maar intussen bedenken hoe je het gesprek een kant op kunt duwen die jij interessanter vindt. Zijn gehoor deed op geen enkele manier zijn best om zelfs maar half cosmetisch te luisteren.

Oogkleppen op. Volledig in hun eigen wereld.

‘In dat team zou ik dan wat meer, tja, precies wat Bart al zegt…’

Utrecht, Hopakker, 21 mei 2011, 16.33 uur.

Als je wandelt zie je meer. Het ommeland trekt trager aan je voorbij en als je iets opvalt, kun je binnen een halve tel stil staan om het rustig te bekijken. Op de fiets moet je eerst afremmen en daarna de te ver doorgeschoten afstand weer terug afleggen. Vaak is dat vooruitzicht voldoende om het maar helemaal te laten. Veel blijft ongezien, tijdens fietstochtjes.

Behalve als ik met mijn kinderen ben, natuurlijk. Die hebben geen moeite met stoppen en terug gaan, als er een kleurig elastiekje op straat ligt. ‘Nee, we rijden door,’ zeg ik meestal streng. Waarna er zo’n gedrein en gemekker losbreekt dat ik, om er vanaf te wezen, toch maar toegeef. Mokkend leun ik op mijn stuur terwijl ze de – inmiddels – 200 meter terug rijden om het ongetwijfeld vieze ding op te rapen.

Ik heb voldoende opvoedkundige principes. Soms voel ik me een buitenstaander die verwonderd toekijkt hoe ik ze te grabbel gooi.

Misschien had ik mezelf afgelopen zaterdag moeten toestaan om terug te lopen. Had me waarschijnlijk een prachtig citaat opgeleverd. De eerste zin die ik hoorde, verstond ik maar half. ‘Gewoon een beetje borrelen,’ was een fragment dat ik dacht op te vangen. Ik was nog te ver weg van de drie jongens die voor de voordeur zaten om het goed te horen.

Twee van hen zaten op stoelen die ze op de stoep hadden gezet, eentje op een scooter. Die laatste was aan het woord. Hij zei: ‘In dat team zou ik wat meer…’ Ik spitste mijn oren terwijl ik langs liep. Ik vertraagde mijn pas. Maar op dat moment vertraagde er ook iets in zijn spreken. Hij weifelde en liet een stilte vallen. ‘Tja…’ ging hij verder, ‘precies wat Bart al zegt…’

Nu was het aan mij. Ging ik werkelijk stil staan om de rest van de zin te horen? Wat had Bart al gezegd? En welke rol zou de jongen op de scooter in dat team gaan vervullen? Prangende vragen.Maar afluisteren is onbeleefd.

Ik had kunnen knielen en veinzen dat ik mijn veter strikte. Ik had ook gewoon terug kunnen lopen. Opnieuw langs de jongens die daar zaten, met flesjes bier in de brandende zon. Dat is toch niet verboden? Over de stoep lopen en dan terugkeren. Het zou best kunnen dat ik thuis iets was vergeten….

Maar ik liep verder. Het kind in mij, dat dreinde en mekkerde, heb ik genegeerd. Jammer genoeg ben ik strenger voor mezelf dan voor mijn zoons.

En nu moet ik het doen met speculatie. Ik denk zeker te weten dat er een of andere verwaande opmerking uit dat brallerige studentenbekkie zou komen. Dat hij in dat team wat meer… tja, zoals Bart al zei, een leidinggévende rol zou gaan vervullen. Dat hij daar, hoe moet je het omschrijven, de lijnen uit ging zetten.

Een zin als een kleurig elastiekje. Maar ik heb hem laten liggen.

‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’

Utrecht, Vismarkt, 4 april, 16.37 uur.

In Utrecht heb je de Oudegracht. Het zou met gemak de bekendste straat van de stad kunnen zijn, ware het niet dat slimme middenstanders op de Neude en het Vredenburg zich in 1935 hebben ingekocht in het bordspel waarbij vergissingen van de bank in uw voordeel uitvallen.

Eigenlijk heb ik het altijd een beetje vreemd gevonden dat de makers van dat spel het vanzelfsprekend vonden dat je dat geld dus houdt. Ik zou het meteen teruggeven. Dat klinkt misschien nogal braaf, maar ik heb een keer vierhonderd gulden verbrast in de binnenstad, nadat een verzekeraar het om onverklaarbare redenen op mijn rekening had gestort. Natuurlijk werd mij daarna vriendelijk gevraagd het bedrag terug te geven. Ik heb drie maanden lang moeten leven als Van Gogh om aan dat verzoek te kunnen voldoen.

Generaties monopoly spelers zullen jarenlang onder curatele gesteld zijn, omdat ze van dat vergissingsgeld vrolijk huizen en hotels op de Neude en het Vredenburg hadden laten bouwen.

Ik heb persoonlijk een zwak voor de Oudegracht. ’s Nachts drijven de lichtjes in het rimpelige water. Je fietsbel rinkelt vrolijk terwijl je over de straatstenen rijdt, die losjes onder je wielen kobbelen.

Bovendien is het een van de weinige straten waarvan ik de naam weet. Ik woon al twintig jaar in deze stad, maar nog steeds moet ik elk adres opzoeken op de plattegrond. Ik verslijt ongeveer een stadskaart per jaar. Maar de Oudegracht gaat nog net. Hoewel de Utrechtse gewoonte om het moeilijker te maken dan het is ook hier heeft toegeslagen.

Om een voorbeeld van die gewoonte te geven: vanaf het station tot het Wilhelminapark loopt een lange straat. Lekker makkelijk, zou je denken. Een ijkpunt, waar je je toe kunt verhouden als je de weg zoekt. Maar niet in Utrecht. Die ene, lange straat heet achtereenvolgens (ik sla mijn versleten kaart voorzichtig open, opdat hij niet scheurt): Smakkelaarsveld, Vredenburg, Lange Viestraat, Potterstraat, Jansstraat, Janskerkhof, Nobelstraat, Nachtegaalstraat en Reigerstraat.

De Oudegracht lijkt een makkie, maar ter hoogte van de Dom heet hij heel even het Wed. En honderd meter verder, als de weg omhoog gaat richting het stadhuis, hangt een straatnaambord met ‘Vismarkt’. Daarna wordt het weer net zo gemakkelijk Oudegracht.

Over deze Vismarkt fiets ik vaak. Behalve de afgelopen maanden, omdat ze bezig zijn met iets in de grond. Je moet afstappen en met de fiets aan de hand door een smalle doorgang, die ook door het langzaam voort sjokkende winkelpubliek wordt gebruikt.

Dus om die Vismarkt te omzeilen ga ik door het winkelgebied, waar je niet mag fietsen. Ik houd er niet van de verkeersregels te overtreden. Vreemde eigenschap, misschien. Bij dat racen door de winkelstraat verwacht ik elk moment politiepetten uit de mensenmassa te zien opdoemen. Dus de laatste keer besloot ik toch die nauwe doorgang te nemen. Ik had geen haast, hoewel dat vreemd genoeg bijna nooit een reden is om rustig aan te doen. Dit keer wel. Je moet niet al je handelen proberen te begrijpen.

De Vismarkt gaat lichtjes bergafwaarts, richting het Wed. Het prijsgeven van gratis verkregen snelheid kost me gewoonlijk vrij veel moeite. Ik jaag voetgangers en fietsers de stuipen op het lijf omdat ik weiger af te remmen. Maar nu was van geen snelheid sprake en ik sjokte in de rij winkelend publiek met de fiets aan mijn hand. Een jongen, begin twintig, liep in tegenovergestelde richting. We raakten elkaar bijna tijdens het passeren. Hij praatte in een mobiele telefoon.

‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’

Hij klonk begaan met de man die hij aan de lijn had. Hij lachte en schudde zijn hoofd. Zijn haardos schudde mee. Alles aan hem was jong. En nog sympathiek ook. Inlevend. Een combinatie die ik nooit van de grond heb weten te tillen, toen het aan de orde was.

Toen ik de hekwerken om de opengewerkte straat voorbij was, fietste ik verder. Een man, die dacht dat het een voetgangersgebied was, maakte zich breed en liep expres in mijn richting. Ik ontweek hem en besteedde de volgende paar minuten aan de formulering waarmee ik hem op de coolste manier zou duidelijk maken dat híj het bij het verkeerde eind had.

‘Hé man, waar zie jij een bord waarop staat dat je hier niet mag fietsen?’

‘Jij komt zeker van buiten, vriend? Ga stoer doen in je eigen dorp.’

‘Heb jij je verkeersdiploma wel gehaald, in de zesde?’

Erg bijdehand ben ik nooit geweest. Hoeft ook niet. Liever ben ik als de jongen met het mobieltje. ‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’ Dat was eigenlijk de beste reactie geweest. Op zo’n beetje alles, bedenk ik me nu.

‘Ik heb nog nooit zo veule verdiend, jongen’

Zwolle, Kerkstraat, 1 juli 2011, om 19.01 uur

Ik liep over de stoep vanaf Zwolle Centraal naar het huis van mijn ouders. Elke keer als ik over de Wilhelminasingel kom, moet ik denken aan een moment tijdens mijn rijexamen, twintig jaar geleden. Ik reed daar en dacht dat ik te dicht langs een fietser ging. Ik schrok. Zweet prikte door mijn hoofdhuid. De examinator keek niet op of om. Een uur later had ik mijn rijbewijs.

We beleefden hetzelfde moment, de examinator en ik. Hij was zich niet eens bewust dat het een moment was. Ik denk er nog een paar keer per jaar aan.

Nu stond, in diezelfde straat, een vrouw met een fiets. Dwars op de stoep. Ze praatte met een baardige man. Hoewel ze me wel aan zag komen lopen, ging ze niet aan de kant, waardoor ik over de rijweg moest om ze te passeren. Ik maak er een sport van om met een zo neutraal mogelijk gezicht de consequenties te aanvaarden van stom verkeersgedrag van anderen.

De sociale omgang in het verkeer is sowieso een onderwerp dat me bezighoudt. Nog geen twee minuten daarvoor was ik overgestoken op een zebrapad op de Assendorperstraat. Een Nissan was in volle vaart, maar remde om me over te laten steken. Ik denk misschien te veel na over de dingen, maar de vraag of ik een gebaar naar de bestuurder had moeten maken voor de voorrang die hij verleende, hield me nog een paar honderd meter bezig.

Enerzijds wel prettig dat hij voor me stopt. Maar als we nu ook al waarderende handgebaren naar elkaar gaan maken omdat iemand zich gewoon aan de verkeersregels houdt, kunnen we wel bezig blijven. Ik liep over de witte strepen zonder de bestuurder te bedanken.

Op de Wilhelminasingel kreeg ik daarvoor dus meteen de rekening gepresenteerd, door de vrouw met de fiets die me negeerde. Het was mijn verdiende loon. Maar toch wilde ik haar straffen voor haar lompe gedrag. De zin die ik opving – ‘Weet je, we bellen wel en dan maken we dan wel een afspraak’ – zou ik niet gebruiken als aanleiding voor een stukje. Dat zou haar leren. En ik hoopte dat de baardman haar nooit zou bellen voor die afspraak.

Nog geen vijftig meter verder kreeg ik overigens alsnog mijn eenzame zin toegeworpen. Het was vlak bij mijn ouders’ huis. Er staat daar een bankje, waar mannen van boven de zestig op zitten. ‘Hang-ouderen,’ noemt mijn moeder ze. Het bankje is maar klein, en de rest van de mannen met petten op hun kale schedels stond eromheen.

Ook een lid van dit groepje keuvelende mannen versperde de stoep met zijn fiets. Blijkbaar hadden mijn slechte gedachten over de onachtzame vrouw geen nieuwe deuken in mijn karma opgeleverd, want deze corduroy heer schoof zijn fiets wel degelijk aan de kant. Terwijl ik voorbij liep, hoorde ik een man op het bankje zeggen: ‘Ik heb nog nooit zo veule verdiend, jongen’.

Toen ik  dit vertelde aan mijn moeder zei ze: ‘hij zal het wel over zijn aow hebben gehad’.

‘Dag lieve vader, gefeliciteerd!’

‘Dag lieve vader, gefeliciteerd!’

Ik had mijn jas open terwijl ik naar de school van mijn kinderen fietste, hoewel het daar eigenlijk te koud voor was. De zon stond laag en scheen fel. Het meisje dat me tegemoet liep droeg een dure zonnebril. Haar lach spande zich over de volle breedte van haar gezicht, terwijl ze in haar mobiele telefoon zei: ‘Dag lieve vader, gefeliciteerd!’

Mijn eerste schrikreactie was een haastig nagaan of het vandaag misschien Vaderdag was. Een vrij onbenullige gedachte omdat 1) ik geen flauw idee heb op welke datum Vaderdag zou moeten vallen en 2) mijn vader niet zou weten wat hem overkwam  als ik met zo’n uitspraak aan de telefoon kwam.

Het idee tekort te schieten is me zo vertrouwd dat ik er reflexmatig mijn toevlucht toe neem. Ook als er geen reden toe is. Het meisjes was jong, had een gave huid en was ongetwijfeld lid van het studentencorps. Mijn instictmatige reactie maakte me duidelijk dat ik het altijd zal afleggen tegen de aristocraten. De underdog positie zit in mijn DNA verankerd.

Vroeger zei ik vaak tegen mijn moeder dat ik het oneerlijk vond dat er wel een Vader- en Moederdag bestond, maar geen kinderdag. ‘Het is elke dag kinderdag,’ antwoordde ze dan. Ik was altijd erg ontevreden met dat antwoord. Toen ik zelf kinderen kreeg, schoot die zin soms weer door mijn hoofd.

Ik was inmiddels alweer dertig meter verder. Het meisje had zichzelf met haar lach van elastiek naar het achterland gelanceerd. De erren in ‘vader’ en ‘ gefeliciteerd’, langgerekt en gepolijst, resoneerden nog na in mijn hooft. Haar spijkerbroek zat gegoten om haar benen, de hakken van haar laarzen klakten ritmisch, strak op de tel, tegen de stoeptegels.

Haar leeftijd schatte ik precies tussen die van mezelf en van het jongetje dat ik was toen ik op de kleuterschool een plankje bestempelde met in rood, geel en blauw gedompelde spijkerkoppen. Later werden daar haakjes in geschroefd waardoor het een sleutelplankje voor aan de muur werd. De juffen leek dat blijkbaar een attribuut waar de gemiddelde vader wel behoefte zou hebben. Ze hebben gelijk gekregen, want het hangt nog steeds in het halletje van mijn ouders’ huis. Hoewel het natuurlijk best kan dat mijn moeder zich daarvoor ingezet heeft.

In mijn eigen huis heb ik aan de muur een soortgelijk plankje, waar een wasknijper op gemonteerd is. Er staat de afdruk van de linker hand van mijn oudste zoon op, gemaakt toen hij nog een baby was. Het is om brieven onder te klemmen die ik nog moet afhandelen. Ik gebruik het al bijna tien jaar intensief.

Nog af te handelen brieven moffel ik het liefst zo ver mogelijk weg, om maar niet geconfronteerd te worden met mijn neiging zaken pas aan te pakken als het al te laat is. Maar áls ik dan besluit me ermee bezig te houden, dan wil ik ze ook in een fractie van een seconde kunnen vinden.  Duurt het langer, dan bestaat de kans dat ik weer van gedachte verander.

Het meisje met haar lach van elastiek en haar erren van speksteen heeft zulke problemen niet. Ik weet het zeker. Ze is stipt in het onthouden van haar verwekkers verjaardag. Van Vaderdag ook. Het kado ligt al klaar. Een vergulde briefopener.

‘Ze zegt wel dat jullie niet hebben gebeld enzo…’

Utrecht, Rijnlaan, 26 januari, 9.35 uur

Vroeg in de ochtend moest ik met mijn zoontje van zeven naar de schooldokter. Die laatste komt niet naar school, zoals de naam misschien doet vermoeden, maar daar moet je heen. Vijf komma tweeëntwintig kilometer fietsen, om precies te zijn. In mijn beleving is Utrecht een dorp. Ik ga er standaard vanuit dat het overal naartoe een kwartier fietsen is. Dat is niet zo en dat heb ik al een keer of vijfentachtig moeten ondervinden. De onjuiste basisaanname blijft echter ongewijzigd.

We wachtten voor een stoplicht. Mijn zoon wilde graag op de knop drukken. Twee meisjes met hoofddoeken stapten uit de bus en passeerden ons. Iets in hun lichaamstaal maakte me alert. Vooral de wat dikkere, die aan het woord was, had mijn aandacht: vinnige bewegingen, strak getrokken lippen, toegeknepen ogen en een wijsvinger die tijdens het praten door de lucht danste als de piemel van een badmintonnende nudist.

Ik spitste mijn oren, want alle uiterlijke kenmerken wezen maar in één richting: roddel. Ik kan nog zo mijn best doen om niet te praten over andere mensen als ze er niet bij zijn. Ik laat me kennen als de grootste braverik van de stad als ik gesprekspartners afkap die dat wel doen. Maar dat is aangeleerd gedrag. Ik vertoon nu een intuïtieve, menselijke reflex. Ik wil alles horen.

Ik heb de afgelopen vijftien minuten een monoloog van mijn zoon voorbij horen komen over Narnia deel een, twee en drie, waarvan hoegenaamd niets tot me doorgedrongen is. Hij deed me chronologisch de gehele verhaallijn uit de doeken. Ik zei ‘ja’, ‘o?’ en ‘sjonge!’ op gezette tijden, terwijl ik dacht aan turftechnieken, aan een blog die ik wil schrijven en aan de planning voor de rest van de dag.

En nu ben ik een en al aandacht voor twee zestienjarige moslima’s die het hebben over iemand die ik niet ken en nooit zal kennen. Uit het verkeersgedruis stijgt een zin op. ‘Ze zegt wel dat jullie niet hebben gebeld enzo…’ De zin is een vis die kort aan het wateroppervlak verschijnt. Even een schittering in het zonlicht, en weg…

Ik zou in Engelstalige landen mijn hart kunnen ophalen. Aan het sissende geluid van het woordje ‘she’ is het kwaadspreken gemakkelijk te herkennen.

Inmiddels hebben mijn zoon en ik het GGD gebouw bereikt. Hij vindt het vet dat het vlak naast het politiebureau staat.

In de spreekkamer moet hij zijn kleren uit. Er worden hem vragen gesteld. ‘Hoeveel fruit eet je op een dag? Hoeveel televisie kijk je? Hoe vaak zit je achter de computer?’ Ik luister nauwgezet naar zijn antwoorden. Ik hecht er belang aan om hem niet te corrigeren of aan te vullen. Het lukt me. Daarna moet hij zijn rug laten zien, moet hij voorover buigen en weer terug, wordt hij gemeten en gewogen. Ik weet niet of ik zijn spanning overneem, of dat ik me mijn eigen gevoel van vroeger herinner, bij de schooldokter.

‘Ik vond het leuk,’ zegt hij op de terugweg. Misschien omdat deze mevrouw wél luisterde naar wat je vertelde, schiet door mijn hoofd. We staan weer op hetzelfde kruispunt als waar ik op de heenweg stiekem de roddelzin afluisterde. Is afluisteren erger dan roddelen? Is weinig televisie kijken beter dan veel? Ben je een slechtere ouder als je de antwoorden van je kind nuanceert tegenover de schooldokter? Is het erg als de ene vriendin de andere niet gebeld heeft?

Ik vermoed dat het antwoord op al deze vragen ‘nee’ is. Maar die veronderstelling zou de wereld onhandelbaar saai maken. gespeend van elke soort van drama. Dus kies ik toch maar voor ‘ja’. Mijn zoon is aan het woord. En ik mijmer verder.

‘Weet je wat het is, hij is eigenlijk de smerigste man ter wereld.’

Utrecht, Van Humboldtstraat, 6 januari, 21.50 uur.

De Van Humboldtstraat was donker en nat. Ik fietste snel. Tijdens het laatste slaapwacht overleg was opnieuw gevraagd of de heren en dames slaapwachten meer hun best wilden doen om op tijd te komen. Niemand had specifiek mijn kant op gekeken. Terecht, want ik kom er vrijwel nooit te laat. Ook nooit te vroeg, trouwens.

Ik fietste voort en al op twintig meter afstand hoorde ik de twee jongens die voor het wijkcentrum stonden tegen elkaar praten. Ik zag ze niet, omdat ze verscholen waren achter de zuil waar het afdakje op rustte. Afgezien van hun stemmen, met zware zetten en harde g’s was de straat stil.

‘Weet je wat het is,’ zei de lange. Hij plantte zijn voeten nog wat verder van elkaar in de stoeptegels. De jongen naast hem, die rokend op een scooter zat, keek van onder zijn wenkbrauwen naar hem op. De lange spuugde op de grond voordat hij verder ging. Met zijn tong drukte hij zijn speeksel tussen zijn twee voortanden naar buiten en het spritste weg, met een flauwe boog door het straatlantaarnlicht.

Ik stopte met trappen. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik het einde van een verwachting opwekkende zin zou missen. Onlangs nog: twee Utrechtse vrouwen op straat. Ze hadden allebei de fiets aan de hand. De een voerde op hoge toon het woord en de ander knikte verwoed. Soms zie je aan de lichaamstaal dat er zaken besproken worden die ertoe doen. Ik kwam op de vrouwen toe gefietst met gespitste oren. En ik fietste ze voorbij. Het enige dat ik had opgevangen was: ‘Nou, enneh…’.

Dat ging me vandaag niet overkomen. Ook al kwam ik te laat bij mijn slaapbaantje, ik moest en zou iets substantieels meekrijgen. Ik had de twee nu duidelijk in het zicht.

‘Weet je wat het is,’ prachtig begin eigenlijk. Ik moet het eens opschrijven als ik ooit weer een toneelstuk maak. De spreektaal van een man die uit wil stralen dat je hem niets hoeft te vertellen. Deze jongen was amper zestien. Er valt hem nog van alles te vertellen. Maar hij vindt zelf uiteraard van niet. Hij vraagt zijn gesprekspartner of hij weet wat het is. Er vanuit gaand dat deze in de verste verte niet weet wat het is. Sterker nog, de spreker heeft niet eens zin om het antwoord af te wachten. Want zijn vriend op de scooter weet tocht niet wat het is.

Ik heb voldoende vaart geminderd om het vervolg van de zin mee te pikken. Om het tweede deel van de volzin op te vangen in de donkere avond en meteen weer druk op de pedalen te zetten. Om mijn banden te laten tollen en ze slissend de plassen op straat in tweeën te laten snijden. Ik heb de zin in mijn achterzak. Een kidnapping, professioneel uitgevoerd.

‘Weet je wat het is, hij is eigenlijk de smerigste man ter wereld.’ Zo is dat. En hij praat verder, de roddelaar, maar ik versta het al niet meer. Ik ben weg, met de smerigste man ter wereld op mijn bagagedrager. Wie hij is, weet ik niet. Ik zal het ook niet weten.

Nee. Ik weet niet wat het is.

‘Ja, dat is misschien nog mooier, inderdaad.’

Ooijpolder, 17 december 2010, 14.08 uur.

Nabij Nijmegen waren wij. Prikkend koude lucht, landschap wit van sneeuw. Ik had al jaren het verlangen de Ooijpolder te zien en nu kreeg ik het.
En ook weer niet.

De Ooijpolder droeg een wit masker en ik vroeg me af of ik bij thuiskomst kon zeggen dat ik het gebied kende, of dat ik in de zomer nog eens terug zou moeten om dat werkelijk te kunnen beweren.
De Waal was buiten zijn oevers, bomen stonden tot hun oksels in het water, ijs dat met Risken steeds maar dubbel zes gooit en hebberig het territorium uitbreidt.

Het was een magisch weekend dat ik en mijn vriendin daar beleefden. Het weekend van koude tenen, waarin trekvogels onophoudelijk in V formatie boven onze hoofden vlogen.
Iets van de spanning die hoort bij een grote reis daalde vanuit de lucht op ons neer. En er was gesnerp, gepiep en gekrijs: alsof een enorme houten machine met in elkaar grijpende raderen de gang van de tientallen pijlen in de lucht voortstuwde. Steeds weer nieuwe groepen vogels doemden op uit de witte verte.

Ik voelde me triest, een gevoel iets te missen door hier te blijven, terwijl zo velen het elders zochten. De saamhorigheid van in grote waaiers boven het land te vliegen. Ik ben Niels Holgersson in mijn gedachten.

Op de dijk stapten we elke twintig meter van onze fiets om foto’s te maken en in mijn hoofd ontstond een idee voor een kinderboek dat ik waarschijnlijk nooit zal schrijven. Ik kon desondanks niet stoppen erover na te denken. ‘Wat ben je stil,’ zei mijn vriendin.
Een jongen en meisje hielden er hetzelfde tempo op na als wij. Als zij stil stonden om iets te fotograferen, fietsten we ze voorbij; een stukje verderop gebeurde hetzelfde, maar dan omgekeerd. Net als bij ons reed de jongen op een vouwfiets en had het meisje fietstassen achterop.

We wisselden geen woord en ook geen blik als we elkaar passeerden. Wel hoorde ik het meisje tegen haar vriend zeggen: ‘Ja, dat is misschien nog mooier, inderdaad.’
Het was een zin die meteen neersloeg in de doffe sneeuw. Als ik hem niet had opgeschreven was hij in een oogwenk bedekt door een nieuwe laag en had niemand er ooit nog van gehoord.

’s Avonds moesten we in het donker terug naar ons bed and breakfast. Eerst werd de lucht staalblauw, toen loodgrijs en uiteindelijk probeerde het inktzwart te worden. De sneeuw weerkaatste echter het maanlicht en het kostte ons niet de minste moeite onze weg te vinden over de kronkelende dijk zonder straatverlichting.

Over de Waal gingen traag de vrachtschepen. Ik zou er wat voor geven om in het donker in die stuurhut te zitten en naar de zachte stemmen uit de radio te luisteren. Heel langzaam dronken worden en denken aan mijn kinderen in het schippersinternaat…

Het deurknop moment

Ik moest in het ziekenhuis zijn. Zo’n afspraak waarop ze je iets gaan vertellen wat ze je al een keer eerder verteld hebben. Of iets testen dat al vaker getest is. Ik laat me overal naartoe sommeren. Meegaan met de stroom en zo weinig mogelijk energie verspillen aan het gevecht tegen het systeem.

Laat ik tussendoor even zeggen dat dit stukje op geen enkele manier gaat over wat mij mankeert. Sterker nog, er mankeert me niets. Maar als ik niet opschrijf om welke reden ik naar dat ziekenhuis ging, raak jij, lezer, gedurende dit stuk steeds meer in de ban van mijn mogelijke kwaal. Je gaat voorbij aan de pointe van wat ik schrijf.

En dat is deze (terwijl ik je nu kwijt ben; ik kan net zo goed wartaal opschrijven): ik heb het idee dat ik de enige persoon ter wereld ben die alleen nog kan kiezen tussen 11.40, 12.15 of 13.30 uur als er een afspraak moet komen met de tandarts, de schooldokter of de cv monteur. Voor een tijdstip aan het begin of het eind van de dag kom ik structureel niet in aanmerking. Ik begin me soms af te vragen of tandartsen ’s ochtends vroeg of in de namiddag überhaupt wel patiënten ontvangen.

Het zal iets karmisch zijn. En het zal jou een rotzorg zijn. Je wilt alleen maar weten wat voor aandoening mij naar het ziekenhuis deed gaan. Je vraagt je alleen maar af waarom ik zo mysterieus doe.

Terug naar mijn pointe. Een van de grote doelen in mijn leven is: een keer een volledige dag aan mijn werk te besteden. Ik kan me de tijd niet heugen dat ik een paar uur achter elkaar heb kunnen schrijven. Ik koester de illusie dat ik op zo’n dag minstens twee blogs zou afmaken, alsmede een opzet voor een essay en toch zeker vier pagina’s proza.

De realiteit heeft al een paar keer aangetoond dat er niets klopt van die gedachte. Mijn neiging elke twintig minuten mijn email te checken zou ik ‘ziekelijk’ willen noemen. Een achteloos ingevoerde zoekopdracht kan me ongemerkt tot ver in de krochten van het internet leiden. Aan het eind van zo’n dag kan ik meestel niet aanwijzen wat mijn verblijf achter de computer nu concreet heeft opgeleverd.

Ik geef graag de schuld aan de receptionisten en assistenten van deze wereld. De agenda’s die ze hanteren zijn als een kloofmes waarmee ze bruut mijn dag doormidden splijten. Zo komt een mens toch nergens aan toe, verzucht ik vaak als ik de hoorn moedeloos terug op de haak leg.

Vaak komt mijn schrijverij pas goed op gang als ik me eigenlijk al klaar moet gaan maken voor een afspraak. Te vergelijken met het ‘deurknop moment’, waar psychologen vaak mee te maken hebben. De cliënt komt, als hij zijn jas al aanheeft, op de proppen met een bekentenis die de hele sessie in een nieuw daglicht stelt.

Als je volop de tijd hebt om je vage ideeën tot concrete tekst te verwerken, komt tegelijkertijd de verplichting om de hoek kijken het ook daadwerkelijk te dóén. Vaak bedenk ik net zolang triviale huishoudelijke klusjes, tot er nog maar een uurtje over is om echt aan het werk te gaan. Dat is het startsein om op het toetsenbord te gaan roffelen alsof het een cajón is. Wie me iets probeert te vragen jaag ik heen met een grom, waarbij ik mijn tanden bloot trek.

Dus deze ochtend rukte ik me los van de tekst waaraan ik vlak voor vertrek met grote geestdrift was gaan schrijven. Ik stapte op mijn fiets en dacht, op weg naar Kanaleneiland, verder na over mogelijke wendingen in het stuk. Dat is ook werken, redeneerde ik, en zo ging het fietstochtje zo min mogelijk ten koste van mijn productiviteit.

Alleen jammer dat ik door al dat gedenk naar het verkeerde ziekenhuis fietste. Er begon me pas iets te dagen toen ik mijn kettingslot door het voorwiel stak. Een woeste sprint richting het goede gebouw haalde niets meer uit. De arts had zich over de volgende patiënt ontfermd.

‘Maar niet getreurd, meneer Mulder. Een nieuwe afspraak is zo gemaakt. We hebben over twee maanden nog een plekje vrij. Precies in het midden van uw werkdag.’