Utrecht, Rijnlaan, 26 januari, 9.35 uur
Vroeg in de ochtend moest ik met mijn zoontje van zeven naar de schooldokter. Die laatste komt niet naar school, zoals de naam misschien doet vermoeden, maar daar moet je heen. Vijf komma tweeëntwintig kilometer fietsen, om precies te zijn. In mijn beleving is Utrecht een dorp. Ik ga er standaard vanuit dat het overal naartoe een kwartier fietsen is. Dat is niet zo en dat heb ik al een keer of vijfentachtig moeten ondervinden. De onjuiste basisaanname blijft echter ongewijzigd.
We wachtten voor een stoplicht. Mijn zoon wilde graag op de knop drukken. Twee meisjes met hoofddoeken stapten uit de bus en passeerden ons. Iets in hun lichaamstaal maakte me alert. Vooral de wat dikkere, die aan het woord was, had mijn aandacht: vinnige bewegingen, strak getrokken lippen, toegeknepen ogen en een wijsvinger die tijdens het praten door de lucht danste als de piemel van een badmintonnende nudist.
Ik spitste mijn oren, want alle uiterlijke kenmerken wezen maar in één richting: roddel. Ik kan nog zo mijn best doen om niet te praten over andere mensen als ze er niet bij zijn. Ik laat me kennen als de grootste braverik van de stad als ik gesprekspartners afkap die dat wel doen. Maar dat is aangeleerd gedrag. Ik vertoon nu een intuïtieve, menselijke reflex. Ik wil alles horen.
Ik heb de afgelopen vijftien minuten een monoloog van mijn zoon voorbij horen komen over Narnia deel een, twee en drie, waarvan hoegenaamd niets tot me doorgedrongen is. Hij deed me chronologisch de gehele verhaallijn uit de doeken. Ik zei ‘ja’, ‘o?’ en ‘sjonge!’ op gezette tijden, terwijl ik dacht aan turftechnieken, aan een blog die ik wil schrijven en aan de planning voor de rest van de dag.
En nu ben ik een en al aandacht voor twee zestienjarige moslima’s die het hebben over iemand die ik niet ken en nooit zal kennen. Uit het verkeersgedruis stijgt een zin op. ‘Ze zegt wel dat jullie niet hebben gebeld enzo…’ De zin is een vis die kort aan het wateroppervlak verschijnt. Even een schittering in het zonlicht, en weg…
Ik zou in Engelstalige landen mijn hart kunnen ophalen. Aan het sissende geluid van het woordje ‘she’ is het kwaadspreken gemakkelijk te herkennen.
Inmiddels hebben mijn zoon en ik het GGD gebouw bereikt. Hij vindt het vet dat het vlak naast het politiebureau staat.
In de spreekkamer moet hij zijn kleren uit. Er worden hem vragen gesteld. ‘Hoeveel fruit eet je op een dag? Hoeveel televisie kijk je? Hoe vaak zit je achter de computer?’ Ik luister nauwgezet naar zijn antwoorden. Ik hecht er belang aan om hem niet te corrigeren of aan te vullen. Het lukt me. Daarna moet hij zijn rug laten zien, moet hij voorover buigen en weer terug, wordt hij gemeten en gewogen. Ik weet niet of ik zijn spanning overneem, of dat ik me mijn eigen gevoel van vroeger herinner, bij de schooldokter.
‘Ik vond het leuk,’ zegt hij op de terugweg. Misschien omdat deze mevrouw wél luisterde naar wat je vertelde, schiet door mijn hoofd. We staan weer op hetzelfde kruispunt als waar ik op de heenweg stiekem de roddelzin afluisterde. Is afluisteren erger dan roddelen? Is weinig televisie kijken beter dan veel? Ben je een slechtere ouder als je de antwoorden van je kind nuanceert tegenover de schooldokter? Is het erg als de ene vriendin de andere niet gebeld heeft?
Ik vermoed dat het antwoord op al deze vragen ‘nee’ is. Maar die veronderstelling zou de wereld onhandelbaar saai maken. gespeend van elke soort van drama. Dus kies ik toch maar voor ‘ja’. Mijn zoon is aan het woord. En ik mijmer verder.