‘Weet je wat het is, hij is eigenlijk de smerigste man ter wereld.’

Utrecht, Van Humboldtstraat, 6 januari, 21.50 uur.

De Van Humboldtstraat was donker en nat. Ik fietste snel. Tijdens het laatste slaapwacht overleg was opnieuw gevraagd of de heren en dames slaapwachten meer hun best wilden doen om op tijd te komen. Niemand had specifiek mijn kant op gekeken. Terecht, want ik kom er vrijwel nooit te laat. Ook nooit te vroeg, trouwens.

Ik fietste voort en al op twintig meter afstand hoorde ik de twee jongens die voor het wijkcentrum stonden tegen elkaar praten. Ik zag ze niet, omdat ze verscholen waren achter de zuil waar het afdakje op rustte. Afgezien van hun stemmen, met zware zetten en harde g’s was de straat stil.

‘Weet je wat het is,’ zei de lange. Hij plantte zijn voeten nog wat verder van elkaar in de stoeptegels. De jongen naast hem, die rokend op een scooter zat, keek van onder zijn wenkbrauwen naar hem op. De lange spuugde op de grond voordat hij verder ging. Met zijn tong drukte hij zijn speeksel tussen zijn twee voortanden naar buiten en het spritste weg, met een flauwe boog door het straatlantaarnlicht.

Ik stopte met trappen. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik het einde van een verwachting opwekkende zin zou missen. Onlangs nog: twee Utrechtse vrouwen op straat. Ze hadden allebei de fiets aan de hand. De een voerde op hoge toon het woord en de ander knikte verwoed. Soms zie je aan de lichaamstaal dat er zaken besproken worden die ertoe doen. Ik kwam op de vrouwen toe gefietst met gespitste oren. En ik fietste ze voorbij. Het enige dat ik had opgevangen was: ‘Nou, enneh…’.

Dat ging me vandaag niet overkomen. Ook al kwam ik te laat bij mijn slaapbaantje, ik moest en zou iets substantieels meekrijgen. Ik had de twee nu duidelijk in het zicht.

‘Weet je wat het is,’ prachtig begin eigenlijk. Ik moet het eens opschrijven als ik ooit weer een toneelstuk maak. De spreektaal van een man die uit wil stralen dat je hem niets hoeft te vertellen. Deze jongen was amper zestien. Er valt hem nog van alles te vertellen. Maar hij vindt zelf uiteraard van niet. Hij vraagt zijn gesprekspartner of hij weet wat het is. Er vanuit gaand dat deze in de verste verte niet weet wat het is. Sterker nog, de spreker heeft niet eens zin om het antwoord af te wachten. Want zijn vriend op de scooter weet tocht niet wat het is.

Ik heb voldoende vaart geminderd om het vervolg van de zin mee te pikken. Om het tweede deel van de volzin op te vangen in de donkere avond en meteen weer druk op de pedalen te zetten. Om mijn banden te laten tollen en ze slissend de plassen op straat in tweeën te laten snijden. Ik heb de zin in mijn achterzak. Een kidnapping, professioneel uitgevoerd.

‘Weet je wat het is, hij is eigenlijk de smerigste man ter wereld.’ Zo is dat. En hij praat verder, de roddelaar, maar ik versta het al niet meer. Ik ben weg, met de smerigste man ter wereld op mijn bagagedrager. Wie hij is, weet ik niet. Ik zal het ook niet weten.

Nee. Ik weet niet wat het is.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>