‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’

Utrecht, Vismarkt, 4 april, 16.37 uur.

In Utrecht heb je de Oudegracht. Het zou met gemak de bekendste straat van de stad kunnen zijn, ware het niet dat slimme middenstanders op de Neude en het Vredenburg zich in 1935 hebben ingekocht in het bordspel waarbij vergissingen van de bank in uw voordeel uitvallen.

Eigenlijk heb ik het altijd een beetje vreemd gevonden dat de makers van dat spel het vanzelfsprekend vonden dat je dat geld dus houdt. Ik zou het meteen teruggeven. Dat klinkt misschien nogal braaf, maar ik heb een keer vierhonderd gulden verbrast in de binnenstad, nadat een verzekeraar het om onverklaarbare redenen op mijn rekening had gestort. Natuurlijk werd mij daarna vriendelijk gevraagd het bedrag terug te geven. Ik heb drie maanden lang moeten leven als Van Gogh om aan dat verzoek te kunnen voldoen.

Generaties monopoly spelers zullen jarenlang onder curatele gesteld zijn, omdat ze van dat vergissingsgeld vrolijk huizen en hotels op de Neude en het Vredenburg hadden laten bouwen.

Ik heb persoonlijk een zwak voor de Oudegracht. ’s Nachts drijven de lichtjes in het rimpelige water. Je fietsbel rinkelt vrolijk terwijl je over de straatstenen rijdt, die losjes onder je wielen kobbelen.

Bovendien is het een van de weinige straten waarvan ik de naam weet. Ik woon al twintig jaar in deze stad, maar nog steeds moet ik elk adres opzoeken op de plattegrond. Ik verslijt ongeveer een stadskaart per jaar. Maar de Oudegracht gaat nog net. Hoewel de Utrechtse gewoonte om het moeilijker te maken dan het is ook hier heeft toegeslagen.

Om een voorbeeld van die gewoonte te geven: vanaf het station tot het Wilhelminapark loopt een lange straat. Lekker makkelijk, zou je denken. Een ijkpunt, waar je je toe kunt verhouden als je de weg zoekt. Maar niet in Utrecht. Die ene, lange straat heet achtereenvolgens (ik sla mijn versleten kaart voorzichtig open, opdat hij niet scheurt): Smakkelaarsveld, Vredenburg, Lange Viestraat, Potterstraat, Jansstraat, Janskerkhof, Nobelstraat, Nachtegaalstraat en Reigerstraat.

De Oudegracht lijkt een makkie, maar ter hoogte van de Dom heet hij heel even het Wed. En honderd meter verder, als de weg omhoog gaat richting het stadhuis, hangt een straatnaambord met ‘Vismarkt’. Daarna wordt het weer net zo gemakkelijk Oudegracht.

Over deze Vismarkt fiets ik vaak. Behalve de afgelopen maanden, omdat ze bezig zijn met iets in de grond. Je moet afstappen en met de fiets aan de hand door een smalle doorgang, die ook door het langzaam voort sjokkende winkelpubliek wordt gebruikt.

Dus om die Vismarkt te omzeilen ga ik door het winkelgebied, waar je niet mag fietsen. Ik houd er niet van de verkeersregels te overtreden. Vreemde eigenschap, misschien. Bij dat racen door de winkelstraat verwacht ik elk moment politiepetten uit de mensenmassa te zien opdoemen. Dus de laatste keer besloot ik toch die nauwe doorgang te nemen. Ik had geen haast, hoewel dat vreemd genoeg bijna nooit een reden is om rustig aan te doen. Dit keer wel. Je moet niet al je handelen proberen te begrijpen.

De Vismarkt gaat lichtjes bergafwaarts, richting het Wed. Het prijsgeven van gratis verkregen snelheid kost me gewoonlijk vrij veel moeite. Ik jaag voetgangers en fietsers de stuipen op het lijf omdat ik weiger af te remmen. Maar nu was van geen snelheid sprake en ik sjokte in de rij winkelend publiek met de fiets aan mijn hand. Een jongen, begin twintig, liep in tegenovergestelde richting. We raakten elkaar bijna tijdens het passeren. Hij praatte in een mobiele telefoon.

‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’

Hij klonk begaan met de man die hij aan de lijn had. Hij lachte en schudde zijn hoofd. Zijn haardos schudde mee. Alles aan hem was jong. En nog sympathiek ook. Inlevend. Een combinatie die ik nooit van de grond heb weten te tillen, toen het aan de orde was.

Toen ik de hekwerken om de opengewerkte straat voorbij was, fietste ik verder. Een man, die dacht dat het een voetgangersgebied was, maakte zich breed en liep expres in mijn richting. Ik ontweek hem en besteedde de volgende paar minuten aan de formulering waarmee ik hem op de coolste manier zou duidelijk maken dat híj het bij het verkeerde eind had.

‘Hé man, waar zie jij een bord waarop staat dat je hier niet mag fietsen?’

‘Jij komt zeker van buiten, vriend? Ga stoer doen in je eigen dorp.’

‘Heb jij je verkeersdiploma wel gehaald, in de zesde?’

Erg bijdehand ben ik nooit geweest. Hoeft ook niet. Liever ben ik als de jongen met het mobieltje. ‘O, man, wat een… nou ja, goed, zo zie je maar.’ Dat was eigenlijk de beste reactie geweest. Op zo’n beetje alles, bedenk ik me nu.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>