Ooijpolder, 17 december 2010, 14.08 uur.
Nabij Nijmegen waren wij. Prikkend koude lucht, landschap wit van sneeuw. Ik had al jaren het verlangen de Ooijpolder te zien en nu kreeg ik het.
En ook weer niet.
De Ooijpolder droeg een wit masker en ik vroeg me af of ik bij thuiskomst kon zeggen dat ik het gebied kende, of dat ik in de zomer nog eens terug zou moeten om dat werkelijk te kunnen beweren.
De Waal was buiten zijn oevers, bomen stonden tot hun oksels in het water, ijs dat met Risken steeds maar dubbel zes gooit en hebberig het territorium uitbreidt.
Het was een magisch weekend dat ik en mijn vriendin daar beleefden. Het weekend van koude tenen, waarin trekvogels onophoudelijk in V formatie boven onze hoofden vlogen.
Iets van de spanning die hoort bij een grote reis daalde vanuit de lucht op ons neer. En er was gesnerp, gepiep en gekrijs: alsof een enorme houten machine met in elkaar grijpende raderen de gang van de tientallen pijlen in de lucht voortstuwde. Steeds weer nieuwe groepen vogels doemden op uit de witte verte.
Ik voelde me triest, een gevoel iets te missen door hier te blijven, terwijl zo velen het elders zochten. De saamhorigheid van in grote waaiers boven het land te vliegen. Ik ben Niels Holgersson in mijn gedachten.
Op de dijk stapten we elke twintig meter van onze fiets om foto’s te maken en in mijn hoofd ontstond een idee voor een kinderboek dat ik waarschijnlijk nooit zal schrijven. Ik kon desondanks niet stoppen erover na te denken. ‘Wat ben je stil,’ zei mijn vriendin.
Een jongen en meisje hielden er hetzelfde tempo op na als wij. Als zij stil stonden om iets te fotograferen, fietsten we ze voorbij; een stukje verderop gebeurde hetzelfde, maar dan omgekeerd. Net als bij ons reed de jongen op een vouwfiets en had het meisje fietstassen achterop.
We wisselden geen woord en ook geen blik als we elkaar passeerden. Wel hoorde ik het meisje tegen haar vriend zeggen: ‘Ja, dat is misschien nog mooier, inderdaad.’
Het was een zin die meteen neersloeg in de doffe sneeuw. Als ik hem niet had opgeschreven was hij in een oogwenk bedekt door een nieuwe laag en had niemand er ooit nog van gehoord.
’s Avonds moesten we in het donker terug naar ons bed and breakfast. Eerst werd de lucht staalblauw, toen loodgrijs en uiteindelijk probeerde het inktzwart te worden. De sneeuw weerkaatste echter het maanlicht en het kostte ons niet de minste moeite onze weg te vinden over de kronkelende dijk zonder straatverlichting.
Over de Waal gingen traag de vrachtschepen. Ik zou er wat voor geven om in het donker in die stuurhut te zitten en naar de zachte stemmen uit de radio te luisteren. Heel langzaam dronken worden en denken aan mijn kinderen in het schippersinternaat…