Zwolle, Kerkstraat, 1 juli 2011, om 19.01 uur
Ik liep over de stoep vanaf Zwolle Centraal naar het huis van mijn ouders. Elke keer als ik over de Wilhelminasingel kom, moet ik denken aan een moment tijdens mijn rijexamen, twintig jaar geleden. Ik reed daar en dacht dat ik te dicht langs een fietser ging. Ik schrok. Zweet prikte door mijn hoofdhuid. De examinator keek niet op of om. Een uur later had ik mijn rijbewijs.
We beleefden hetzelfde moment, de examinator en ik. Hij was zich niet eens bewust dat het een moment was. Ik denk er nog een paar keer per jaar aan.
Nu stond, in diezelfde straat, een vrouw met een fiets. Dwars op de stoep. Ze praatte met een baardige man. Hoewel ze me wel aan zag komen lopen, ging ze niet aan de kant, waardoor ik over de rijweg moest om ze te passeren. Ik maak er een sport van om met een zo neutraal mogelijk gezicht de consequenties te aanvaarden van stom verkeersgedrag van anderen.
De sociale omgang in het verkeer is sowieso een onderwerp dat me bezighoudt. Nog geen twee minuten daarvoor was ik overgestoken op een zebrapad op de Assendorperstraat. Een Nissan was in volle vaart, maar remde om me over te laten steken. Ik denk misschien te veel na over de dingen, maar de vraag of ik een gebaar naar de bestuurder had moeten maken voor de voorrang die hij verleende, hield me nog een paar honderd meter bezig.
Enerzijds wel prettig dat hij voor me stopt. Maar als we nu ook al waarderende handgebaren naar elkaar gaan maken omdat iemand zich gewoon aan de verkeersregels houdt, kunnen we wel bezig blijven. Ik liep over de witte strepen zonder de bestuurder te bedanken.
Op de Wilhelminasingel kreeg ik daarvoor dus meteen de rekening gepresenteerd, door de vrouw met de fiets die me negeerde. Het was mijn verdiende loon. Maar toch wilde ik haar straffen voor haar lompe gedrag. De zin die ik opving – ‘Weet je, we bellen wel en dan maken we dan wel een afspraak’ – zou ik niet gebruiken als aanleiding voor een stukje. Dat zou haar leren. En ik hoopte dat de baardman haar nooit zou bellen voor die afspraak.
Nog geen vijftig meter verder kreeg ik overigens alsnog mijn eenzame zin toegeworpen. Het was vlak bij mijn ouders’ huis. Er staat daar een bankje, waar mannen van boven de zestig op zitten. ‘Hang-ouderen,’ noemt mijn moeder ze. Het bankje is maar klein, en de rest van de mannen met petten op hun kale schedels stond eromheen.
Ook een lid van dit groepje keuvelende mannen versperde de stoep met zijn fiets. Blijkbaar hadden mijn slechte gedachten over de onachtzame vrouw geen nieuwe deuken in mijn karma opgeleverd, want deze corduroy heer schoof zijn fiets wel degelijk aan de kant. Terwijl ik voorbij liep, hoorde ik een man op het bankje zeggen: ‘Ik heb nog nooit zo veule verdiend, jongen’.
Toen ik dit vertelde aan mijn moeder zei ze: ‘hij zal het wel over zijn aow hebben gehad’.