‘Niet hun zijn fucked, wij zijn ook fucked.’

Amsterdam, Amstel station, 10 sptember, 13.35 uur. 

Twee jongens lopen me tegemoet. Beide een tikje gezet, beide zwart, half lang haar; geverfd volgens mij. Ze zijn jong. Eentje draagt een baard. Ook zwart. Ik vraag me af of hij die eveneens geverfd heeft. Waarom vraag ik me dat af? Wat heb ik ermee te maken?

Nu, dit is waar ik me mee vermaak. Mijn leven is een voortdurende ‘wat als?’ vertelling. Ik ben dagelijks bezig met mogelijk drama destilleren uit de mensen in het straatbeeld. Deze twee jongens bijvoorbeeld. Ze hebben elkaar gevonden, omdat ze op elkaar lijken. Of ze waren al bevriend en zijn vervolgens op elkaar gaan lijken.

Spijkerbroek, wit T-shirt, bleek gelaat en een uitdrukking op hun gezicht die zegt: niemand maakt me wat. Maar zoals dat gaat, de ene is net wat meer ‘zo eentje’ dan de ander. Het scheelt verdomd weinig, maar het is onmiskenbaar. Is dat iets dat een rol speelt in hun vriendschap, vraag ik me af. Zal het na verloop van tijd tussen hen in gaan staan?

Moet je maar eens opletten: een groepje koorballen. Achterover vallend kapsel, mond uitsloverig half open, onderuitgezakt op hun terrasstoeltjes. Maar ze zijn nooit allemaal precies even koorballerig. Die gradaties, zijn ze zich daar zelf van bewust? Is de een simpelweg bereid verder te gaan dan de ander? Of is het een kwestie van allemaal even veel je best doen, maar dat het niet iedereen even goed lukt?

Ik kan van mezelf niet inschatten tot welke groep ik behoor. Ben ik er ook ‘zo eentje’, van welke categorie dan ook? Geen idee. Hetzelfde principe treedt wellicht in werking wanneer mensen zeggen dat mijn zoons zo op me lijken. Ik zie het niet. Hou maar eens een foto tegen je neus. En dan proberen te zeggen wat erop staat.

Ik had een keer hardloopkleren gekregen, van een vriend die er toch niets mee deed. Zo’n professioneel, flubberig kort broekje, en ook van die leggings, voor als het koud is. Ik had ze wel zien lopen, die lui in het bos, met zo’n overbodig dure outfit. Dat waren ‘anderen’. Niet zoals ik. Vliegensvlug maakte ik die indeling, als ze me tegemoet liepen. ‘Anders’. Punt.

Toen ik voor het eerst met de strakke broek ging hardlopen (‘joggen’ kon ik het nu echt niet meer noemen) besefte ik met een schok dat ik nu was toegetreden tot het kamp van de anderen. Ik bezag mezelf door het oog van degenen die, net als ik tot voor kort, een joggingbroek droegen. Ik hoorde niet meer bij hen. Terwijl ik nog precies dezelfde persoon was als de dag ervoor.

‘Niet hun zijn fucked,’ zei de jongen met het baardje, terwijl ze door de schuifdeuren de stationshal in liepen, ‘wij zijn ook fucked.’ Hun en wij. Ik zal wel niet de enige op de wereld zijn die de mensheid in kampen heeft opgedeeld.

Waarschijnlijk zou de jongen zijn eigen ‘fucked zijn’ het liefst willen afschuiven op die ‘hun’. Want ‘hun’ lopen sowieso de hele tijd al te fucken. Het feit dat wij fucked zijn, ligt aan hun gefuck.

Ik ben blij met al het gefuck in deze wereld. Want zonder fuck is er geen drama, geen kunst, geen nieuws, geen gesprek mogelijk. En waar zou ik mijn dagen dan nog mee moeten vullen?

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>